Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN1743

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-07-2010
Datum publicatie
20-07-2010
Zaaknummer
09/6470 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Handhaving besluit niet terug te komen van het besluit van 30 augustus 1999, waarbij het Uwv de WAO-uitkering van appellante per 4 augustus 1999 heeft ingetrokken. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het besluit van 30 augustus 1999 in rechte onaantastbaar is geworden. Het door appellante in hoger beroep ingenomen standpunt dat zij niet op de hoogte is geraakt van het besluit tot intrekking van haar uitkering per 4 augustus 1999 en evenmin heeft gemerkt dat de uitbetaling van de uitkering ook feitelijk is gestopt, heeft appellante niet met kracht van argumenten onderbouwd. Het zonder enige onderbouwing eerst ter zitting van de Raad door appellante gestelde dat de WAO-uitkering was geïncorporeerd in haar bijstandsuitkering, dat zulks niet op haar uitkeringsspecificatie werd vermeld en dat de hoogte van deze uitkering nimmer is gewijzigd, is niet zodanig overtuigend dat dit kan worden gevolgd. De rechtbank heeft voorts – onder verwijzing naar de rechtspraak van de Raad - met juistheid geoordeeld dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden geen sprake is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6470 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 oktober 2009, 09/977 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.H.J. Toxopeus, advocaat te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juni 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Toxopeus. Het Uwv was vertegenwoordigd door W.L.J. Weltevrede.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit op bezwaar van 24 februari 2009 heeft het Uwv, voor zover hier van belang, gehandhaafd zijn besluit niet terug te komen van zijn besluit van 30 augustus 1999, waarbij het Uwv de WAO-uitkering van appellante per 4 augustus 1999 heeft ingetrokken.

2.1. De rechtbank heeft het beroep van appellante gericht tegen het besluit van 24 februari 2009, ongegrond verklaard.

2.2. De rechtbank heeft – voor zover in het kader van het hoger beroep van appellante van belang – geoordeeld dat het Uwv bij zijn besluit van 24 februari 2009 terecht heeft gehandhaafd zijn besluit om niet terug te komen van zijn besluit van 30 augustus 1999. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat het besluit van 30 augustus 1999 in rechte onaantastbaar is geworden en dat appellante bij haar verzoek om terug te komen van het besluit van 30 augustus 1999 geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld, zodat het Uwv met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft kunnen weigeren aan het verzoek van appellante om terug te komen van het besluit van 30 augustus 1999 te voldoen.

3.1. Appellante heeft in hoger beroep het oordeel van de rechtbank dat het besluit van 30 augustus 1999 in rechte onaantastbaar is geworden bestreden. Appellante heeft gesteld dit besluit nimmer te hebben ontvangen, zodat dit besluit niet in werking is getreden. Naar de opvatting van appellante kan de juistheid van dit besluit – als onderdeel van het besluit van 24 februari 2009 - mitsdien thans ter toets staan.

3.2. Appellante heeft voorts aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Appellante heeft gesteld dat de klachten die zij reeds had per 4 augustus 1999 eerst na deze datum zijn begrepen als klachten die behoren bij en worden veroorzaakt door het zogenoemde syndroom SLE. Indien deze diagnose per 4 augustus 1999 bekend zou zijn geweest, dan zou, naar appellante heeft gesteld, de intrekking van haar uitkering niet hebben plaatsgevonden.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het besluit van 30 augustus 1999 in rechte onaantastbaar is geworden.

Het door appellante in hoger beroep ingenomen standpunt dat zij niet op de hoogte is geraakt van het besluit tot intrekking van haar uitkering per 4 augustus 1999 en evenmin heeft gemerkt dat de uitbetaling van de uitkering ook feitelijk is gestopt, heeft appellante niet met kracht van argumenten onderbouwd. Het zonder enige onderbouwing eerst ter zitting van de Raad door appellante gestelde dat de WAO-uitkering was geïncorporeerd in haar bijstandsuitkering, dat zulks niet op haar uitkeringsspecificatie werd vermeld en dat de hoogte van deze uitkering nimmer is gewijzigd, is niet zodanig overtuigend dat dit kan worden gevolgd.

4.3. De rechtbank heeft voorts – onder verwijzing naar de rechtspraak van de Raad - met juistheid geoordeeld dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden geen sprake is. De klachten die appellante in het kader van haar verzoek om terug te komen van het besluit van 30 augustus 1999 heeft geuit waren reeds bekend ten tijde van het besluit van 30 augustus 1999. De Raad wijst in dit verband op de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 11 januari 1999, welke rapportage ten grondslag ligt aan het besluit van 30 augustus 1999, en de in deze rapportage besproken informatie van de appellante behandelende medici. Dat deze klachten naderhand zijn gediagnosticeerd als klachten veroorzaakt door het syndroom SLE maken deze klachten niet anders. Voor zover appellante heeft beoogd te betogen dat door het stellen van deze diagnose de klachten in een ander daglicht dienen te worden geplaatst wijst de Raad erop dat een andere inschatting van de ernst van de destijds door het Uwv aangenomen beperkingen naar vaste rechtspraak van de Raad – zoals deze ook volgt uit zijn uitspraak van 30 december 2009, LJN BK8195 – niet als een nieuw feit in de zin van artikel 4:6 van de Awb is aan te merken.

4.4. Het hoger beroep van appellante treft derhalve geen doel. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4.5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en J. Brand en N.J.E.G. Cremers als leden, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2010.

(get.) G. van der Wiel.

(get). A.L. de Gier.

RK