Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN1655

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-07-2010
Datum publicatie
20-07-2010
Zaaknummer
09/973 TW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW) van f 12,07 bruto per uitkeringsdag. Bij besluit van 7 december 2006 is appellante meegedeeld dat zij totaal € 25.486,06 bruto ten onrechte heeft ontvangen en dat zij die moet terugbetalen. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellante aan de inkomensoverzichten geen rechten kon ontlenen. Per maand ontving zij een bedrag van € 323,33 bruto, terwijl de toeslag slechts € 135,50 bruto was. Zij ontving dus ruim twee keer zoveel toeslag, zodat zij had moeten begrijpen dat het niet klopte. Haar stelling dat haar telefonisch door het Uwv verzekerd is dat het bedrag wel juist was, is niet onderbouwd. De brief van de vriendin is daartoe onvoldoende. De Raad volgt dan ook de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 29 maart 2010 dat geen sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien op grond van de medische situatie van appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/973 TW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 16 januari 2009, 07/2245

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.W.J.L. Loonen hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juni 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Loonen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. D.E.C. Veugen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante ontvangt vanaf 4 december 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Bij besluit van 6 februari 2001 is haar een toeslag toegekend ingevolge de Toeslagenwet (TW) van f 12,07 bruto per uitkeringsdag.

1.2. Aan appellante zijn in januari en juli 2006 inkomensoverzichten gezonden, waarin is aangegeven dat zij te weinig toeslag had ontvangen en zijn nabetalingen gedaan.

1.3. Bij besluit van 7 december 2006 is appellante meegedeeld dat zij totaal € 25.486,06 bruto ten onrechte heeft ontvangen en dat zij die moet terugbetalen.

1.4. Bij besluit van 14 november 2007 (bestreden besluit) heeft het Uwv het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen dat besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat bij artikel 20 van de TW wordt uitgegaan van het principe dat altijd wordt teruggevorderd. Slechts indien daarvoor dringende redenen zijn kan het Uwv besluiten geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering. De rechtbank is van oordeel dat appellante aan de inkomensoverzichten geen rechten kon ontlenen. Aangezien de betalingen niet correct waren moesten deze worden teruggevorderd. Het is de rechtbank niet gebleken van dringende redenen, die het Uwv hadden moeten nopen van terugvordering af te zien. Appellante heeft geen medische verklaringen omtrent haar psychische situatie overgelegd die tot een andere conclusie leiden.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij ervan uit mocht gaan dat de nabetalingen juist waren. Zij heeft daarbij gewezen op de inkomensoverzichten en gesteld dat haar – bij telefonische navraag bij het Uwv – is verzekerd dat de betalingen juist waren. Het bedrag was ook niet zo groot dat het niet kon kloppen. Zij lijdt veel schade als haar beroep op het vertrouwensbeginsel niet wordt gehonoreerd want zij heeft het geld al uitgegeven. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft zij een verslag van drs. R.J.M. Dautzenberg, psycholoog, van 19 juni 2009 en een brief van een vriendin van 11 mei 2010 overgelegd.

4.1. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met haar stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellante aan de inkomensoverzichten geen rechten kon ontlenen. Per maand ontving zij een bedrag van € 323,33 bruto, terwijl de toeslag slechts € 135,50 bruto was. Zij ontving dus ruim twee keer zoveel toeslag, zodat zij had moeten begrijpen dat het niet klopte. Haar stelling dat haar telefonisch door het Uwv verzekerd is dat het bedrag wel juist was, is niet onderbouwd. De brief van de vriendin is daartoe onvoldoende. Niet duidelijk is wanneer is gesproken, met wie en wat precies de inhoud van dat gesprek is geweest. Met betrekking tot de door appellante in hoger beroep overgelegde verklaring van Dautzenberg overweegt de Raad dat het logisch is dat de onverwachte schuld een grote impact heeft op het psychisch en fysiek welbevinden. Van een depressieve stemming is volgens Dautzenberg echter geen sprake. De Raad volgt dan ook de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 29 maart 2010 dat geen sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien op grond van de medische situatie van appellante.

4.2. Het door appellante gedane beroep op het arrest van de Hoge Raad van 7 december 2007 (LJN BA9393) kan de Raad niet honoreren reeds omdat navordering op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen – anders dan op grond van de TW - niet verplicht is.

4.3. Ter zitting is gesproken over de berekening van de WW-premie. Daarbij is geconcludeerd – op basis van de voorhanden gedingstukken – dat een bedrag van

€ 1.000,= aan WW-premie door het Uwv intern kan worden verrekend. Partijen bereikten ter zitting overeenstemming dat appellante niet meer dan € 24.486,06 aan het Uwv hoeft te voldoen.

5. Het hoger beroep slaagt niet.

6. In het feit dat het Uwv de WW-premie verkeerd heeft berekend en dat ook in hoger beroep ondanks gedane toezeggingen nog niet had hersteld ziet de Raad redenen het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 805,= voor in beroep verleende rechtsbijstand (beroepschrift en 2 zittingen) en € 644,= voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand, totaal € 1.449,=.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.449,=;

Bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht van € 146,= vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2010.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) N.M. van Gorkum.

JL