Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN1629

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-07-2010
Datum publicatie
20-07-2010
Zaaknummer
10-765 WWB + 10-767 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van een verhuizing en voor de kosten van woninginrichting, op de grond dat deze verhuizing niet noodzakelijk is. Toekenning voorschot op bijstand van€ 768,38. De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel dat het besluit van 5 juni 2009 wat betreft de verrekening van het voorschot slechts een informatieve mededeling inhoudt, zodat in zoverre geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ter voorlichting van appellant wijst de Raad er nog wel op dat het voorschot in dit geval in feite niets anders was dan een vooruitbetaling van de algemene bijstand waarop appellant met ingang van 23 april 2009 recht had, en dat het College dit voorschot ingevolge artikel 52, vierde lid, van de WWB zonder machtiging van appellant mocht verrekenen met de toegekende bijstandsuitkering. Ook in zoverre slaagt het hoger beroep niet. De rechtbank heeft het besluit van 30 juli 2009 tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van appellant tegen de vermogensvaststelling in stand gelaten. Naar de Raad begrijpt uit het hoger beroepschrift, acht appellant dit onjuist. Hij heeft voorts aangevoerd dat de vaststelling van zijn vermogen op een bedrag van € 18.060,67 (negatief) niet kan worden aanvaard, omdat dit bedrag wordt gevormd door vorderingen van de gemeente Rotterdam op hem, welke vorderingen hij betwist. Uit de door het College op 16 april 2010 aan de Raad gezonden stukken blijkt inderdaad dat dit bedrag geheel is samengesteld uit bedragen wegens terugvordering van bijstand en invorderingskosten vanwege de gemeente Rotterdam. Bij de vermogensvaststelling heeft het College voorts de waarde van de bezittingen van appellant vastgesteld op nihil. Uit de uitspraak van de Raad van 27 april 2010, LJN BM5211, volgt dat een besluit waarbij algemene bijstand is toegekend en waarbij tevens het vermogen van de betrokkene is vastgesteld, ook wat betreft die vermogensvaststelling op rechtsgevolg is gericht. Daarbij heeft de Raad overwogen dat uit deze vermogensvaststelling enerzijds voortvloeit dat geen beletsel voor bijstandsverlening aanwezig is, en dat anderzijds deze vermogensvaststelling bij eventuele vermogenstoeval in de toekomst - tijdens dezelfde ononderbroken bijstandsperiode - het vertrekpunt vormt bij de beantwoording van de vraag of en in hoeverre dat eventueel later nog te ontvangen vermogen wordt vrijgelaten. De rechtbank heeft derhalve de niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaar tegen de in het besluit van 5 juni 2009 opgenomen vermogensvaststelling ten onrechte in stand gelaten. Om die reden komt de aangevallen uitspraak in zoverre voor vernietiging in aanmerking. De Raad ziet aanleiding om - met gebruikmaking van de in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid - op dit punt zelf in de zaak te voorzien. Zoals de Raad al eerder heeft uitgesproken (zie de uitspraak van 4 mei 2010, LJN BM5530), valt het bedrag waarmee het vermogen kan toenemen zonder dat dit gevolgen heeft voor de voortzetting van de bijstand bij een negatief of op nihil vastgesteld aanvangsvermogen samen met het wettelijke begrip vermogensgrens. Toegepast op dit geval, stelt de Raad vast dat het rechtsgevolg van de onderhavige vermogensvaststelling door het College (slechts) was, dat er geen beletsel bestond voor de toekenning van bijstand aan appellant vanaf 23 april 2009 en dat het vermogen van appellant nog mocht toenemen met een bedrag gelijk aan het volledige bedrag van het vrij te laten vermogen. Nu de rechtbank het beroep tegen het besluit van 30 juli 2009 al gegrond heeft verklaard, kan worden volstaan met vernietiging van dat besluit wegens strijd met de wet, voor zover daarbij het bezwaar tegen de in het besluit van 5 juni 2009 opgenomen vermogensvaststelling niet-ontvankelijk is verklaard. De Raad zal dat bezwaar (vervolgens) ongegrond verklaren. Hetgeen overwogen brengt mee dat ook de kosten van woninginrichting in dit geval niet kunnen worden beschouwd als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 23 juli 2009 derhalve terecht ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/765 WWB

10/767 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 december 2009, 09/2638 en 09/2728 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 6 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend en een nader stuk aan de Raad gezonden. Appellant heeft vervolgens een schriftelijke reactie op deze stukken gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 mei 2010. Appellant is verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Dinç, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

De bijzondere bijstand

1.1. Appellant heeft op 17 april 2009 verzocht om bijzondere bijstand voor de kosten van verhuizing van een (gemeubileerde) kamer in [plaatsnaam A] naar een zelfstandige woonruimte in [plaatsnaam B]. Bij besluit van 29 april 2009 heeft het College deze aanvraag afgewezen op de grond dat deze verhuizing niet noodzakelijk is.

1.2. Op 23 april 2009 heeft appellant bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van woninginrichting. Bij besluit van 28 mei 2009 heeft het College deze aanvraag afgewezen op de grond dat het hier niet gaat om noodzakelijke kosten aangezien geen sprake is van een noodzakelijke verhuizing.

1.3. Bij besluit van 23 juli 2009 heeft het College de bezwaren tegen de besluiten van

29 april 2009 en 28 mei 2009 ongegrond verklaard.

1.4. Appellant heeft tegen dit besluit beroep bij de rechtbank ingesteld en tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 15 september 2009 is het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

De algemene bijstand

1.5. Appellant heeft op 23 april 2009 bijstand voor de kosten van levensonderhoud aangevraagd.

1.6. Bij besluit van het College van 28 mei 2009 is aan appellant een voorschot van

€ 768,38 toegekend. In dat besluit is - voor zover in dit geding van belang - aan appellant meegedeeld dat, indien hij recht op een uitkering heeft, het voorschot van de uitkering wordt afgetrokken.

1.7. Bij besluit van 5 juni 2009 heeft het College appellant met ingang van 23 april 2009 een bijstandsuitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) toegekend. In het toekenningsbesluit is vermeld dat, als appellant een voorschot op de uitkering heeft ontvangen, dit voorschot met de eerste uitbetaling van de uitkering wordt verrekend. Voorts heeft het College in het toekenningsbesluit vastgesteld dat het vermogen van appellant € 18.060,57 (negatief) is.

1.8. Bij besluit van 30 juli 2009 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van

5 juni 2009 niet-ontvankelijk verklaard voor zover het ziet op de vaststelling van het vermogen en ongegrond geacht voor zover het betreft de verrekening van het voorschot.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

23 juli 2009 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van

30 juli 2009 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover het betreft de verrekening van het voorschot, en appellant op dat punt niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar. Ten slotte is bepaald dat het College het griffierecht aan appellant moet vergoeden.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft voorts, voor zover het betreft de afwijzing van bijzondere bijstand, aan de voorzieningenrechter van de Raad verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 21 april 2010, 10/1133, is dat verzoek afgewezen. Het College heeft bepleit dat de aangevallen uitspraak in stand wordt gelaten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Appellant heeft in procedurele zin tegen de aangevallen uitspraak naar voren gebracht dat hem van de kant van de rechtbank is meegedeeld dat ter zitting van 8 september 2009 een gevoegde behandeling zou plaatsvinden van zijn beroep tegen het besluit van het College van 23 juli 2009 en van het op dat besluit betrekking hebbende verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening, maar dat vervolgens slechts uitspraak is gedaan op het verzoek. Pas bij de aangevallen uitspraak is het beroep afgedaan en daardoor heeft hij, zoals hij ter zitting van de Raad heeft toegelicht, ook pas later een uitspraak op dat beroep gekregen, als gevolg waarvan hij eerst toen in hoger beroep kon gaan. De Raad overweegt hierover het volgende.

4.1.1. De rechtbank heeft appellant bij brief van 5 november 2009 meegedeeld dat ten onrechte is gesproken over voeging, aangezien appellant had moeten worden meegedeeld dat de voorzieningenrechter bevoegd was om tevens uitspraak te doen op het beroep. De rechtbank heeft daarvoor aan appellant excuses aangeboden. De Raad is van oordeel dat de rechtbank daarmee kon volstaan. Het was voorts aan de voorzieningenrechter om te bepalen of hij na de behandeling ter zitting van het verzoek om voorlopige voorziening gebruik zou maken van de bevoegdheid om meteen uitspraak te doen in de hoofdzaak. De keuze dat en de reden waarom hij dat niet heeft gedaan, staan niet ter beoordeling van de Raad. In zoverre treft het hoger beroep geen doel.

4.2. Met betrekking tot de toekenning van algemene bijstand richten de beroepsgronden van appellant zich tegen de verrekening van het voorschot en de vaststelling van zijn vermogen bij aanvang van de bijstandsverlening.

4.2.1. De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel dat het besluit van 5 juni 2009 wat betreft de verrekening van het voorschot slechts een informatieve mededeling inhoudt, zodat in zoverre geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ter voorlichting van appellant wijst de Raad er nog wel op dat het voorschot in dit geval in feite niets anders was dan een vooruitbetaling van de algemene bijstand waarop appellant met ingang van 23 april 2009 recht had, en dat het College dit voorschot ingevolge artikel 52, vierde lid, van de WWB zonder machtiging van appellant mocht verrekenen met de toegekende bijstandsuitkering. Ook in zoverre slaagt het hoger beroep niet.

4.2.2. De Raad overweegt over de vermogensvaststelling het volgende.

4.2.2.1. De rechtbank heeft het besluit van 30 juli 2009 tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van appellant tegen de vermogensvaststelling in stand gelaten. Naar de Raad begrijpt uit het hoger beroepschrift, acht appellant dit onjuist. Hij heeft voorts aangevoerd dat de vaststelling van zijn vermogen op een bedrag van € 18.060,67 (negatief) niet kan worden aanvaard, omdat dit bedrag wordt gevormd door vorderingen van de gemeente Rotterdam op hem, welke vorderingen hij betwist. Uit de door het College op 16 april 2010 aan de Raad gezonden stukken blijkt inderdaad dat dit bedrag geheel is samengesteld uit bedragen wegens terugvordering van bijstand en invorderingskosten vanwege de gemeente Rotterdam. Bij de vermogensvaststelling heeft het College voorts de waarde van de bezittingen van appellant vastgesteld op nihil.

4.2.2.2. Uit de uitspraak van de Raad van 27 april 2010, LJN BM5211, volgt dat een besluit waarbij algemene bijstand is toegekend en waarbij tevens het vermogen van de betrokkene is vastgesteld, ook wat betreft die vermogensvaststelling op rechtsgevolg is gericht. Daarbij heeft de Raad overwogen dat uit deze vermogensvaststelling enerzijds voortvloeit dat geen beletsel voor bijstandsverlening aanwezig is, en dat anderzijds deze vermogensvaststelling bij eventuele vermogenstoeval in de toekomst - tijdens dezelfde ononderbroken bijstandsperiode - het vertrekpunt vormt bij de beantwoording van de vraag of en in hoeverre dat eventueel later nog te ontvangen vermogen wordt vrijgelaten. De rechtbank heeft derhalve de niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaar tegen de in het besluit van 5 juni 2009 opgenomen vermogensvaststelling ten onrechte in stand gelaten. Om die reden komt de aangevallen uitspraak in zoverre voor vernietiging in aanmerking.

4.2.2.3. De Raad ziet aanleiding om - met gebruikmaking van de in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid - op dit punt zelf in de zaak te voorzien. Zoals de Raad al eerder heeft uitgesproken (zie de uitspraak van 4 mei 2010, LJN BM5530), valt het bedrag waarmee het vermogen kan toenemen zonder dat dit gevolgen heeft voor de voortzetting van de bijstand bij een negatief of op nihil vastgesteld aanvangsvermogen samen met het wettelijke begrip vermogensgrens. Toegepast op dit geval, stelt de Raad vast dat het rechtsgevolg van de onderhavige vermogensvaststelling door het College (slechts) was, dat er geen beletsel bestond voor de toekenning van bijstand aan appellant vanaf 23 april 2009 en dat het vermogen van appellant nog mocht toenemen met een bedrag gelijk aan het volledige bedrag van het vrij te laten vermogen. Bij dit laatste tekent de Raad aan dat, volgens vaste rechtspraak, gebruikmaking van de maximale vermogensvrijstelling tijdens de ononderbroken bijstandsperiode slechts één keer zal kunnen geschieden. Uit het voorgaande volgt dat in het kader van de hier aan de orde zijnde toekenning van bijstand, aard en omvang van het negatieve vermogen van appellant niet relevant zijn. In dit kader hoort met name niet thuis een discussie over de vraag of het College in het verleden al dan niet terecht tot terugvordering van bijstand heeft besloten. Voor zover het hoger beroep hierop betrekking heeft dan wel op de vraag of het College al dan niet terecht bij appellant tot inhouding op zijn bijstandsuitkering van een bedrag ter aflossing van die schulden is overgegaan, overweegt de Raad voorts - evenals de rechtbank - dat die kwestie buiten de omvang van het geding valt, aangezien de besluiten van 5 juni 2009 en van 30 juli 2009 hieromtrent geen beslissingen bevatten.

4.2.2.4. Nu de rechtbank het beroep tegen het besluit van 30 juli 2009 al gegrond heeft verklaard, kan worden volstaan met vernietiging van dat besluit wegens strijd met de wet, voor zover daarbij het bezwaar tegen de in het besluit van 5 juni 2009 opgenomen vermogensvaststelling niet-ontvankelijk is verklaard. De Raad zal dat bezwaar (vervolgens) ongegrond verklaren.

4.3. De Raad gaat thans in op de afwijzing van de aanvragen om bijzondere bijstand, waarbij hij voor de tekst van het op deze aanvragen van toepassing zijnde artikel 35, eerste lid, van de WWB en het bij de toepassing van die bepaling te hanteren beoordelingskader verwijst naar de aangevallen uitspraak.

4.3.1. Kosten van een verhuizing dienen, behoudens bijzondere omstandigheden, door de betrokkene uit het eigen, reguliere inkomen te worden betaald, zo nodig door reservering vooraf of door gespreide betaling achteraf. Naar het oordeel van de Raad heeft het College in zijn besluit van 23 juli 2009 op toereikende wijze gemotiveerd waarom in dit geval niet kan worden gesproken van een voor appellant noodzakelijke verhuizing van [plaatsnaam A] naar [plaatsnaam B]. In beroep en in hoger beroep heeft appellant daartegenover onvoldoende gesteld. De Raad acht door appellant onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake was van een urgente verhuizing vanwege het beoogde eigen gebruik door de verhuurder van de kamer in [plaatsnaam A], waarbij de Raad evenals de rechtbank mede in aanmerking neemt dat appellant in de loop van de tijd diverse aanbiedingen uit het woningaanbod van [plaatsnaam B] heeft afgewezen. Verder heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat deze verhuizing om fysieke of psychische redenen noodzakelijk was. Voor dat standpunt ontbreekt een deugdelijke, objectief-medische onderbouwing. Dat de woonruimte waarover appellant in [plaatsnaam A] beschikte niet meer beantwoordde aan de woonwensen (indeling, grootte, privacy, e.d.) van appellant, acht de Raad ook onvoldoende voor het aannemen van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB.

4.3.2. Hetgeen in 4.3.1 is overwogen brengt mee dat ook de kosten van woninginrichting in dit geval niet kunnen worden beschouwd als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB.

4.3.3. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 23 juli 2009 derhalve terecht ongegrond verklaard.

4.4. Al hetgeen appellant verder heeft aangevoerd brengt de Raad niet tot een ander oordeel dan waartoe hij in het voorgaande is gekomen.

5. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is de Raad niet gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het besluit van 30 juli 2009 tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de vaststelling van het vermogen in stand is gelaten en vernietigt dat besluit in zoverre;

Verklaart het bezwaar tegen het besluit van 5 juni 2009 op dat punt ongegrond;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Bepaalt dat het College het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 110,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en J.J.A. Kooijman en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2010.

(get.) C. van Viegen.

(get.) J. de Jong.

SG