Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN1623

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-06-2010
Datum publicatie
20-07-2010
Zaaknummer
09-5468 CSV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betalingsherinneringen als zodanig zijn niet aan te merken als besluiten en derhalve niet vatbaar zijn voor bezwaar en beroep. De ontkenning van de ontvangst van de -niet aangetekend verzonden- premienota’s over de jaren 2000 en 2001 door appellante is niet ongeloofwaardig, aangezien uit de beschikbare gegevens niet kan worden afgeleid dat appellante de premienota’s wel moet hebben ontvangen. Bezwaar is tijdig bezwaar. Het betekent, gelet op artikel 3:40 van de Awb, dat de premiebesluiten niet voor het verstrijken van de in artikel 13 van de CSV genoemde termijn van vijf jaren in werking zijn getreden. Een redelijke uitleg van deze bepaling brengt met zich dat een besluit tot premievaststelling na ommekomst van die termijn niet meer alsnog kan worden bekend gemaakt. Vernietiging bestreden besluit. De Raad ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb het bezwaar van appellante voor zover gericht tegen de brieven van 24 januari 2008 niet-ontvankelijk te verklaren en tevens de oorspronkelijke premienota’s van 27 december 2000 en 28 januari 2002 te herroepen.

Wetsverwijzingen
Coördinatiewet Sociale Verzekering
Coördinatiewet Sociale Verzekering 13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2010/271
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5468 CSV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 26 augustus 2009, 08/3127 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),

Datum uitspraak: 24 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.H. Beishuizen, werkzaam bij Stichting Achmea Rechtsbijstand te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2010, waar voor appellante, daartoe ambtshalve opgeroepen, is verschenen mr. M.H.G. in de Braekt, werkzaam bij Stichting Achmea Rechtsbijstand te Tilburg, als haar gemachtigde en [naam vennoot], beherend vennoot van appellante. Het Uwv heeft zich, daartoe ambtshalve opgeroepen laten vertegenwoordigen door mr. E. Kuipers, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij brieven van 24 januari 2008 heeft het Uwv appellante verzocht om betaling van achterstallige premies over de jaren 2000 en 2001 ten bedrage van respectievelijk

€ 757,96 en € 1.626,00.

1.2. Bij besluit van 19 maart 2008 zijn de bezwaren tegen deze brieven ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen omtrent de vergoeding van proceskosten en griffierecht, het beroep gegrond verklaard, het besluit van 19 maart 2008 vernietigd en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen, waarbij appellante is aangeduid als eiseres en het Uwv als verweerder.

“Verweerders brieven van 24 januari 2008, waartegen eiseres bezwaar heeft gemaakt, zijn geen besluiten zoals hiervoor bedoeld. Het gaat om betalingsherinneringen (aanmaningen), waarmee geen nieuwe rechtsgevolgen in het leven worden geroepen. De hoogte van de verschuldigde premie is reeds bij besluiten van 27 december 2000 en van 28 januari 2002 vastgesteld. Hiertegen heeft eiseres destijds geen bezwaar gemaakt, omdat zij - naar haar zeggen - die besluiten nooit heeft ontvangen. Pas sinds de ontvangst van de hiervoor genoemde brieven zegt eiseres van een vordering uit 2000 en 2001 te weten. Dit neemt naar het oordeel van de rechtbank echter niet weg dat eiseres die besluiten bij verweerder had kunnen opvragen en daartegen alsnog bezwaar had kunnen maken waarbij zij zich had kunnen beroepen op een verschoonbare termijnoverschrijding. Dat heeft zij niet gedaan. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres weliswaar betoogd dat verweerder het bezwaarschrift in tweeledige zin had moeten opvatten, als zijnde óók gericht tegen de oorspronkelijke nota’s, maar de rechtbank heeft voor dat standpunt in het bezwaarschrift geen aanknopingspunten kunnen vinden. Voorts is de gemachtigde van eiseres erbij gebleven dat de oorspronkelijke nota’s nooit zijn ontvangen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder die ontkenning niet aannemelijk heeft hoeven achten. Uit overgelegde delen van verweerders administratie komt naar voren dat er over de desbetreffende nota’s contact is geweest tussen partijen. Daarbij zou eiseres betalingen hebben toegezegd. Het ligt niet voor de hand dat eiseres dat zou hebben gedaan wanneer bedoelde nota’s niet zouden zijn ontvangen.”

3. In hoger beroep heeft appellante zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij ontkent de ontvangst van de premienota’s over de jaren 2000 en 2001 en stelt zich primair op het standpunt dat de premies 8 respectievelijk 7 jaar na dato niet meer kunnen worden vastgesteld dan wel opgelegd op grond van artikel 13, eerste lid van de Coördinatiewet sociale verzekering (CSV). Volgens appellante valt uit het bezwaarschrift tegen de brieven van 24 januari 2008 echter overduidelijk af te leiden dat dit bezwaarschrift tevens is gericht tegen de opgelegde premienota’s, waarbij door appellante wordt opgemerkt dat zij deze niet eerder heeft ontvangen. Eerst uit de brieven van

24 januari 2008 heeft zij kennis kunnen nemen van het bestaan van de daaraan ten grondslag liggende premienota’s over de jaren 2000 en 2001. Daarom is zij ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaar.

3.1. Het Uwv kan zich vinden in de overwegingen van de rechtbank in de aangevallen uitspraak en sluit zich daarbij aan.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

4.1.1. Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift of een beroepschrift zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Gelet op het bepaalde in artikel 3:41, eerste lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten door toezending of uitreiking aan de belanghebbende.

4.1.2. Artikel 13, eerste lid, van de CSV, zoals dit luidde ten tijde hier in geding, bepaalt dat de premie niet meer wordt vastgesteld, indien meer dan vijf jaren zijn verstreken sedert het einde van het kalenderjaar waarin de premie verschuldigd is geworden.

4.2. De Raad onderschrijft de zienswijze van de rechtbank dat betalingsherinneringen als zodanig geen besluiten zijn in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb en derhalve niet vatbaar zijn voor bezwaar en beroep. Waar het gaat om bestaande betalingsverplichtingen, worden door zo’n aanmaning immers geen nieuwe rechtsgevolgen in het leven geroepen. Dit neemt niet weg dat aan de betalingsherinnering wel betekenis in rechte kan toekomen indien van een bestaande betalingsverplichting nog geen sprake is omdat het daartoe strekkende besluit niet eerder is bekend gemaakt en daarom, gelet op artikel 3:40 van de Awb, nog niet in werking is getreden.

4.3. De Raad stelt, gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting, vast dat niet is gebleken dat de oorspronkelijke premienota’s van 27 december 2000 en 28 januari 2002 (hierna: de premienota’s) aan appellante zijn uitgereikt dan wel aangetekend of met bericht van ontvangst aan haar zijn verzonden. Het Uwv heeft evenmin de verzending van de premienota’s langs andere weg aangetoond.

4.4. Anders dan de rechtbank en het Uwv is de Raad van oordeel dat de ontkenning van de ontvangst van de premienota’s over de jaren 2000 en 2001 door appellante niet als ongeloofwaardig kan worden bestempeld, aangezien uit de beschikbare gegevens niet kan worden afgeleid dat appellante de premienota’s wel moet hebben ontvangen. Uit de vermelding in het verslag boekenonderzoek van 16 augustus 2002, dat de looninspecteur heeft gecontroleerd of er aansluiting was tussen de lonen volgens de loonadministratie van appellante en het premieloon volgens de premienota’s over de jaren 2000 en 2001, kan niet worden afgeleid dat de premienota’s op de in artikel 3:41, eerste lid, van de Awb bedoelde wijze zijn bekend gemaakt. Ook met de door het Uwv overgelegde overzichten van de afdeling Incasso betreffende verzonden facturen aan appellante, alsmede notities met betrekking tot contacten dienaangaande, is niet voldoende bewijs geleverd voor de stelling dat appellante van de premienota’s kennis heeft gekregen. Immers, hieruit valt niet op te maken wat daarbij precies besproken is tussen appellante en de afdeling Incasso.

4.5. Gelet op het vorenstaande moet ervan worden uitgegaan dat appellante eerst uit de brieven van 24 januari 2008 van de premiebesluiten kennis heeft gekregen. Dit betekent dat tijdig bezwaar is gemaakt. Het betekent ook, gelet op artikel 3:40 van de Awb, dat de premiebesluiten niet voor het verstrijken van de in artikel 13 van de CSV genoemde termijn van vijf jaren in werking zijn getreden. Een redelijke uitleg van deze bepaling brengt met zich dat een besluit tot premievaststelling na ommekomst van die termijn niet meer alsnog kan worden bekend gemaakt.

4.6. Aangezien de rechtbank dit niet heeft onderkend, zal de Raad met vernietiging van de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover daarbij is beslist over de vergoeding van proceskosten en griffierecht, het beroep tegen het besluit van 19 maart 2008 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. De Raad ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb het bezwaar van appellante voor zover gericht tegen de brieven van 24 januari 2008 niet-ontvankelijk te verklaren en tevens de oorspronkelijke premienota’s van 27 december 2000 en 28 januari 2002 te herroepen.

5. De Raad ziet ten slotte in het hiervoor overwogene aanleiding om met toepassing van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 437,- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover daarbij is beslist over de vergoeding van proceskosten en griffierecht;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 19 maart 2008 gegrond en vernietigt dat besluit;

Herroept de premienota’s van 27 december 2000 en 28 januari 2002;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 437,-;

Bepaalt dat het Uwv aan appellante het door haar in hoger beroep betaalde griffierecht van € 110,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en R. Kooper en

J.F. Bandringa als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier.

De beslissing is uitgesproken op 24 juni 2010.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) J.M. Tason Avila.

RB