Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN1413

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-07-2010
Datum publicatie
16-07-2010
Zaaknummer
08-7107 WGA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak een veel indringender toets aangelegd nu zij ten volle heeft getoetst of de herziening van de salarisinschaling op grond van de geldende regelgeving had moeten leiden tot een hoger dagloon per 23 januari 2006. De Raad is van oordeel dat de herziening van de salarisinschaling in 2006 met terugwerkende kracht tot in de referteperiode een nieuw gebleken feit is. Het van toepassing zijnde Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen biedt geen mogelijkheid de (ruim) na de referteperiode bekend geworden herziening van de salarisinschaling mee te nemen bij de vaststelling van het dagloon per 23 januari 2006. Van het besluit van het Uwv om niet terug te komen van zijn in rechte onaantastbaar geworden besluit van 27 oktober 2006 kan niet worden gezegd dat het Uwv niet in redelijkheid daartoe heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel. Vernietiging uitspraak. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/7107 WGA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 10 november 2008, 08/809 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 8 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Op 14 mei 2010 heeft P.J. Reeser, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, zich als gemachtigde gesteld en een aanvullend hoger beroepschrift ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2010. Appellante noch haar gemachtigde is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.J. van Kuilenburg, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

2.1. Appellante heeft van 16 augustus 2002 tot 1 augustus 2003 als lerares gewerkt bij Stichting Interconfessioneel Voortgezet Onderwijs [naam school 1]. Met ingang van 1 augustus 2003 is appellante in dienst getreden bij Stichting Voortgezet Onderwijs [naam school 2], ook in de functie van lerares. Op 26 januari 2004 is zij arbeidsongeschikt geworden.

2.2. Bij besluit van 13 maart 2006 heeft het Uwv aan appellante met ingang van 23 januari 2006 ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: Wet WIA) een loongerelateerde uitkering in verband met werkhervatting gedeeltelijk arbeidsongeschikten (WGA) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80% en een dagloon van € 120,36. Het dagloon is gebaseerd op de in de referteperiode van 1 januari 2003 tot en met 31 december 2003 genoten feitelijke verdiensten bij [naam school1] en [naam school 2]. Appellante heeft geen rechtsmiddelen aangewend tegen het besluit van 13 maart 2006.

2.3. Op 25 juli 2006 heeft appellante het Uwv verzocht haar dagloon per 23 januari 2006 aan te passen, omdat [naam school 2] met terugwerkende kracht de salarisinschaling heeft herzien en in mei 2006 een nabetaling heeft verricht. Bij besluit van 27 oktober 2006 heeft het Uwv dit verzoek gehonoreerd, en het dagloon van appellante per 23 januari 2006 verhoogd naar € 121,32. Ook tegen het besluit van 27 oktober 2006 heeft appellante geen rechtsmiddelen aangewend.

2.4. Op 8 februari 2008 heeft appellante het Uwv verzocht haar dagloon per 23 januari 2006 wederom aan te passen, omdat ook [naam school 1] haar salarisinschaling heeft herzien als gevolg waarvan zij gedurende (een deel van) de referteperiode recht had op een hoger loon.

2.5. Bij besluit van 27 februari 2008 heeft het Uwv geweigerd het dagloon aan te passen, omdat conform wet- en regelgeving voor de berekening van het dagloon is uitgegaan van het daadwerkelijk uitbetaalde loon sociale verzekeringen in het refertejaar. Bij besluit van 22 april 2008 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 27 februari 2008 ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 22 april 2008 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv bij de vaststelling van het dagloon terecht is uitgegaan van het loon dat de verzekerde volgens opgave van de werkgever daadwerkelijk heeft genoten, en dat appellante niet heeft aangetoond dat sprake is van loon dat tijdens de referteperiode vorderbaar doch niet inbaar is geworden, als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen.

4. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd gekeerd tegen de aangevallen uitspraak.

5. De Raad overweegt het volgende.

5.1. De Raad stelt - ambtshalve oordelend - voorop dat het verzoek van appellante van 8 februari 2008 dient te worden aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het besluit van 27 oktober 2006. Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden. Zoals de Raad vaker tot uitdrukking heeft gebracht is een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd een verzoek van de belanghebbende om van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen inhoudelijk te behandelen en daarbij de oorspronkelijke beslissing - al dan niet in volle omvang - te heroverwegen. Bewoordingen en strekking van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staan daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsing zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijnen voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. De bestuursrechter dient dan ook het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had moeten vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

5.2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak een veel indringender toets aangelegd nu zij ten volle heeft getoetst of de herziening van de salarisinschaling bij [naam school] op grond van de geldende regelgeving had moeten leiden tot een hoger dagloon per 23 januari 2006. De aangevallen uitspraak kan om die reden niet in stand blijven.

5.3. De Raad heeft zich vervolgens beraden op de vraag of na vernietiging van de aangevallen uitspraak de zaak naar de rechtbank moet worden teruggewezen. In aanmerking nemend dat de zaak naar zijn oordeel geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft, beantwoordt de Raad die vraag ontkennend. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het bestreden besluit beoordelen in het licht van hetgeen daartegen door appellante is aangevoerd. De Raad overweegt dienaangaande het volgende.

5.4. De Raad is van oordeel dat de herziening van de salarisinschaling bij het Baken in 2006 met terugwerkende kracht tot in de referteperiode een nieuw gebleken feit is als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb. Daarin behoefde het Uwv echter geen aanleiding te zien het besluit van 27 oktober 2006 te herzien, reeds omdat het van toepassing zijnde Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen in onderhavig geval geen mogelijkheid biedt de (ruim) na de referteperiode bekend geworden herziening van de salarisinschaling mee te nemen bij de vaststelling van het dagloon per 23 januari 2006. Van het besluit van het Uwv om niet terug te komen van zijn in rechte onaantastbaar geworden besluit van 27 oktober 2006 kan aldus niet worden gezegd dat het Uwv niet in redelijkheid daartoe heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

5.5. De Raad komt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt en dat het bij de rechtbank ingediende beroep ongegrond moet worden verklaard.

6. De Raad ziet tot slot aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten in hoger beroep. Deze worden begroot op € 322,-- wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van € 322,--;

Bepaalt dat het Uwv aan appellante het door haar in hoger beroep betaalde griffierecht van € 107,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2010.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) C. de Blaeij.

RB