Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN1383

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-06-2010
Datum publicatie
16-07-2010
Zaaknummer
10-1693 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplegging maatregel. Appellant heeft geen actieve houding aangenomen met betrekking tot het zoeken naar werk.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2010/206
JWWB 2010/185
USZ 2010/259
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1693 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 18 februari 2010, 09-1055 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem (hierna: College)

Datum uitspraak: 29 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.G. Fischer, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 april 2010. Voor appellant is verschenen mr. Fischer. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving bijstand naar de norm voor gehuwden ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 12 april 2007 heeft het College de bijstand van appellant met ingang van 26 maart 2007 ingetrokken wegens werkaanvaarding in het kader van re-integratie bij Paswerk. Nadat appellant met ingang van 10 april 2007 was ontslagen is aan hem bij besluit van 14 juni 2007 wederom bijstand toegekend, waarbij de bijstand bij wijze van maatregel vanaf 1 mei 2007 gedurende een periode van 4 maanden met 50% is verlaagd. Aan deze maatregel heeft het College ten grondslag gelegd dat appellant niet dan wel onvoldoende heeft meegewerkt aan een voorziening die een uitkerings-vervangend inkomen biedt. Het bezwaar tegen deze maatregel is bij besluit van 10 januari 2008 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 21 november 2008 heeft de rechtbank Haarlem het beroep tegen het besluit van 10 januari 2008 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. Bij uitspraak van heden, 09/170 e.v. heeft de Raad deze uitspraak voor zover aangevochten bevestigd.

1.2. Bij besluit van 4 december 2008 heeft het College in het kader van de heroverweging op grond van artikel 18, derde lid, van de WWB en de Afstemmingsverordening WWB (hierna: Afstemmingsverordening) besloten om de opgelegde maatregel in stand te laten.

1.3. Bij besluit van 20 februari 2009 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 4 december 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover van belang, het beroep tegen het besluit van 20 februari 2009 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 18, derde lid, van de WWB heroverweegt het College een maatregel als hier aan de orde binnen een door hem te bepalen termijn die ten hoogste drie maanden bedraagt.

4.2. In de Afstemmingsverordening is bepaald dat bij het opleggen van een maatregel van een periode van meer dan drie maanden, een heroverweging dient plaats te vinden uiterlijk na drie maanden nadat deze ten uitvoer is gelegd.

4.4. Het College heeft besloten de opgelegde maatregel in stand te laten omdat appellant in de periode van 14 juni 2007 tot en met 14 september 2007 geen actieve houding heeft aangenomen met betrekking tot het zoeken naar werk in dienstverband of anderszins.

4.5. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het College de heroverweging ten onrechte heeft beperkt tot de in 4.4 genoemde periode. Nu de heroverweging eerst heeft plaatsgevonden bij besluit van 4 december 2008 dienen omstandigheden van na 14 september 2007, waaronder de werkaanvaarding van de partner van appellant, naar de mening van appellant bij de heroverweging te worden betrokken. Verder is appellant van mening dat nu niet alle omstandigheden van na het opleggen van de maatregel bij de heroverweging worden betrokken er sprake is van een straf als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4.6. Met de rechtbank en het College is de Raad van oordeel dat uit artikel 18, derde lid, van de WWB volgt dat de beoordelingsperiode in het kader van de heroverweging zich niet verder kan uitstrekken dan over een maximum periode van drie maanden te rekenen vanaf het opleggen van de maatregel. De Raad wijst in dit verband op de doelstelling van de maatregel, namelijk om de bijstandsgerechtigde te stimuleren om zijn of haar gedrag in de toekomst te verbeteren. Deze doelstelling, zo stelt het kabinet in de wetsgeschiedenis bij genoemd artikelonderdeel, wordt het beste geïllustreerd door de in artikel 18, derde lid, van de WWB neergelegde heroverwegingsplicht. In het licht daarvan dient de beoordelingsperiode te worden gesteld op maximaal drie maanden, omdat naar het oordeel van de Raad een verandering in het gedrag van de betrokkene in die periode nog kan worden verondersteld te zijn veroorzaakt door de opgelegde maatregel.

Een gedragsverandering van na die periode staat in een te ver verwijderd verband tot de maatregel.

4.7. De Raad stelt vast dat niet gebleken is dat appellant in de periode van 14 juni 2007 tot en met 14 september 2007 een actieve houding heeft aangenomen met betrekking tot het zoeken naar werk.

4.8. Het College heeft dan ook in redelijkheid kunnen besluiten de bij besluit van 4 december 2008 opgelegde maatregel na heroverweging in de zin van artikel 18, derde lid, van de WWB in stand te laten.

4.9. Wat betreft de stelling van appellant dat onder de gegeven omstandigheden sprake is van een punitieve sanctie stelt de Raad vast dat in overeenstemming met vaste jurisprudentie de in dit geval opgelegde verlaging niet kan worden aangemerkt als een punitieve (bestraffende) sanctie.

4.10. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en A.B.J. van der Ham en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2010.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) N.M. van Gorkum.

AV