Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN1382

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-07-2010
Datum publicatie
16-07-2010
Zaaknummer
09-5555 WWB + 10-740 WWB + 10-766 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad is van oordeel dat betrokkene vooraf onvoldoende is ingelicht over de uitkeringstechnische gevolgen van een tijdelijke inwoning bij zijn zus. Geen schending van de inlichtingenverplichting. De rechtbank is derhalve, evenals appellant, uitgegaan van een onjuiste bevoegdheidsgrondslag voor de intrekking van de bijstand en heeft in het verlengde daarvan aan appellant ter zake van de uitoefening van die bevoegdheid een, eveneens onjuiste, opdracht tot het nemen van een nieuw besluit op bezwaar gegeven. Vernietiging uitspraak. Nieuw besluit op bezwaar.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2010/208
JWWB 2010/183
USZ 2010/260
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5555 WWB

10/740 WWB

10/766 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 1 september 2009, 09/3285 en 09/3969 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 6 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2010. Betrokkene is niet verschenen. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Boegborn, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Met ingang van 15 augustus 2008 heeft appellant aan betrokkene bijstand toegekend ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande zonder toeslag wegens het ontbreken van woonkosten. Appellant is bij deze toekenning ervan uitgegaan dat betrokkene een adresloze is als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de WWB. Daarbij heeft appellant betrokkene, na intensief onderzoek naar en gesprekken met hem over zijn woonsituatie en zijn behandeling in een kliniek voor verslavingszorg, een briefadres ten kantore van appellant toegekend tot 1 december 2008. Tijdens een

gesprek met zijn consulent op 11 december 2008 heeft betrokkene gemeld dat hij met ingang van 1 maart 2009 voor zes maanden bij zijn zus zou kunnen verblijven. Deze zus had echter bedenkingen in verband met de hoge schulden van betrokkene. Zij was beducht voor de gevolgen van de inschrijving van betrokkene op haar adres voor haar huis en haar bezittingen, onder meer in verband met beslagleggingen. Op verzoek van betrokkene heeft de consulent de zus op dit punt gerustgesteld. Daarop heeft de zus meegedeeld dat zij voornemens was betrokkene bij haar in te schrijven. De hiervan opgemaakte rapportage eindigt met de zin: “Indien belanghebbende [zich] inderdaad als inwonende mag laten inschrijven kan het recht op bijstand worden voortgezet (gewijzigd). Belanghebbende zal DWI nader informeren.” In de contacten met de consulent is niet gesproken over de gevolgen die de (wijze van) inwoning van appellant bij zijn zus voor (de omvang van) het recht op bijstand zou hebben.

1.2. Met ingang van 19 februari 2009 is betrokkene bij zijn zus ingetrokken op het adres [adres] in [woonplaats] en is zijn bijstandsnorm gewijzigd naar die voor een alleenstaande met een toeslag van 10% omdat de kosten van wonen kunnen worden gedeeld.

1.3. Op 22 juni 2009 heeft appellant een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van betrokkene. In dat kader is een bezoek aan het adres van betrokkene gebracht en heeft deze een verklaring afgelegd. Naar aanleiding van de onderzoeksbevindingen heeft appellant bij besluit van 8 juli 2009 de bijstand van betrokkene met ingang van 19 februari 2009 ingetrokken op de grond dat betrokkene vanaf die datum onjuiste inlichtingen heeft verstrekt over zijn woon- en leefsituatie.

1.4. Bij besluit van 7 augustus 2009 heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 8 juli 2009 ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat appellant een gezamenlijke huishouding voert met zijn zuster zonder daarvan melding te maken bij het College.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank, met bepalingen inzake griffierecht en proceskosten, het door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 7 augustus 2009 vernietigd, appellant opgedragen opnieuw op het bezwaar te beslissen en het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft daarbij - samengevat - overwogen dat appellant terecht tot de conclusie is gekomen dat sprake is van een gezamenlijke huishouding tussen betrokkene en zijn zus, maar dat appellant ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het feit dat betrokkene niet goed is voorgelicht over de gevolgen voor zijn uitkering in het geval hij bij zo’n tijdelijke inwoning zorgtaken op zich zou nemen. Appellant dient bij de nieuw te nemen beslissing op bezwaar daaraan alsnog aandacht te besteden. Voorts dient appellant acht te slaan op het feit dat betrokkene in de periode van januari 2009 tot en met maart 2009 alleen in het weekend bij zijn zus verbleef vanwege zijn opname in een kliniek van Jellinek.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd behoudens voor zover daarbij het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is afgewezen.

4. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant bij besluit van 22 januari 2010 het bezwaar tegen het besluit van 8 juli 2009 in zoverre gegrond verklaard dat de ingangsdatum van de intrekking van bijstand is gewijzigd in 9 juli 2009. De Raad heeft partijen bericht dat over dit besluit tevens een oordeel zal worden gegeven. De Raad ziet geen aanleiding tevens een oordeel te geven over het toegezonden nadere besluit van 27 januari 2010 omdat dit besluit betrekking heeft op het primaire besluit tot terugvordering van 11 augustus 2009, en dat besluit geen deel uitmaakt van het onderhavige hoger beroep.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. De Raad stelt eerst vast dat de voorzieningenrechter van de rechtbank in rechtsoverweging 2.15 van de aangevallen uitspraak ondubbelzinnig heeft geoordeeld dat ten tijde in geding sprake was van een gezamenlijke huishouding tussen betrokkene en zijn zus. Nu appellant dit bindende oordeel onderschrijft en betrokkene hiertegen geen hoger beroep heeft ingesteld, dient in hoger beroep te worden uitgegaan van een gezamenlijke huishouding, als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de WWB.

5.2. Anders dan appellant en met de voorzieningenrechter van de rechtbank is de Raad van oordeel dat betrokkene in dit bijzondere geval vooraf onvoldoende is ingelicht over de uitkeringstechnische gevolgen van een tijdelijke inwoning bij zijn zus. Tot het expliciet geven van die inlichtingen was appellant in dit geval gehouden in verband met zijn betrokkenheid bij het verwerven van toestemming van de hoofdbewoonster voor inschrijving op haar adres en de wetenschap dat een nauwe familierelatie bestond tussen betrokkene en de hoofdbewoonster. Daar komt bij dat betrokkene als dakloze en alcoholverslaafde voor zorg, hulp en bijstand niet alleen afhankelijk was van appellant maar ook van de hoofdbewoonster. Toereikende informatie was voor betrokkene derhalve van belang om (a) zijn keuze te kunnen bepalen om al dan niet bij zijn zus in te trekken en (b) om te kunnen overzien welke - voor de voortzetting van de bijstand van belang zijnde - aanvullende gegevens hij nog aan het College diende te verstrekken nadat hij eenmaal bij zijn zus was gaan inwonen. Gelet hierop behoefde het voor betrokkene redelijkerwijs niet duidelijk te zijn dat het feit dat hij gaandeweg wat zorgtaken voor zijn zuster is gaan verrichten - als uitvloeisel van de familierelatie en/of als wederdienst voor de door de zuster verleende hulp - van invloed kon zijn op zijn recht op bijstand en dat hij hiervan onverwijld en ongevraagd melding had moeten maken bij het College. Van schending van de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB was in dit geval dan ook geen sprake.

5.3. Dit betekent dat artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB geen grondslag biedt voor intrekking van de bijstand van betrokkene. De rechtbank is derhalve, evenals appellant, uitgegaan van een onjuiste bevoegdheidsgrondslag voor de intrekking van de bijstand en heeft in het verlengde daarvan aan appellant ter zake van de uitoefening van die bevoegdheid een, eveneens onjuiste, opdracht tot het nemen van een nieuw besluit op bezwaar gegeven. De aangevallen uitspraak komt daarom in zoverre voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad met instandlating van de vernietiging van het besluit van 7 augustus 2009, bepalen dat appellant met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar neemt. De Raad wijst er in dit verband op dat appellant bij zijn verdere besluitvorming (ten aanzien van eventuele intrekking én terugvordering) nadrukkelijk dient te betrekken hetgeen onder 5.2 is vermeld met betrekking tot de specifieke omstandigheden waaronder de inwoning van betrokkene bij zijn zuster tot stand is gekomen en tijdelijk is voortgezet.

5.4. Uit hetgeen in 5.3 is overwogen vloeit voort dat de grondslag aan het besluit van 22 januari 2010 is komen te ontvallen. Met het oog op de nadere besluitvorming merkt de Raad nog op dat een intrekking van de bijstand met ingang van 9 juli 2009 in rechte zou kunnen standhouden. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat het bestaan van de gezamenlijke huishouding door betrokkene niet is betwist en dat - gelet op het besluit van 8 juli 2009 - in ieder geval vanaf die datum bij betrokkene bekend was dat een gezamenlijke huishouding werd aangenomen en dat dit een beletsel voor voortzetting van de bijstand naar de norm voor een alleenstaande vormde, aangezien betrokkene geen zelfstandig subject van bijstand was.

6. Voor een veroordeling van proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep in zoverre gegrond;

Bepaalt dat appellant een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak van de Raad voor zover deze ziet op de periode van 14 februari 2009 tot en met 8 juli 2009;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 22 januari 2010 gegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en H.D. Stout als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2010.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) J.M. Tason Avila.

AV