Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN1318

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-07-2010
Datum publicatie
15-07-2010
Zaaknummer
07-2179 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. De door de Raad ingeschakelde onafhankelijke deskundige heeft in zijn rapport aangegeven dat appellante meer beperkingen heeft dan in de FML zijn vastgelegd. Geen reden om af te wijken van dit oordeel. Medische grondslag van het bestreden besluit is ondeugdelijk. Vernietiging bestreden besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2179 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's- Hertogenbosch van 1 maart 2007, 06/3850 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 14 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.J. van ‘t Hoff, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van appellante heeft bij brief van 22 augustus 2007 een rapport van 25 juli 2007 van drs. J. Huisman, psychiater, in het geding gebracht, welk rapport was vergezeld van een rapport van 18 mei 2007 van dr. E.J.T. Matser, neuropsycholoog.

Het Uwv heeft daarop gereageerd door middel van een brief van 7 september 2007 en inzending van een rapport van L.T.M. Lenders, bezwaarverzekeringsarts, van

6 september 2007.

De gemachtigde van appellante en het Uwv hebben nog nader commentaar gegeven bij brieven van 19 en 26 september 2007.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2009. De gemachtigde van appellante was aanwezig. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door A.P. London.

De Raad heeft het onderzoek heropend en heeft dr. J.J. van Os, psychiater te Maastricht, (als opvolger van dr. M.M.W. Richartz, psychiater) gevraagd om van verslag en advies te dienen.

Deze deskundige heeft op 9 november 2009 rapport uitgebracht; het Uwv heeft daarop via een rapport van Lenders van 1 december 2009 gereageerd.

De deskundige heeft op het gestelde door Lenders gereageerd bij rapport van 29 januari 2010.

Lenders heeft op zijn beurt commentaar geleverd bij rapport van 9 april 2010.

Het geding is voortgezet ter zitting van 2 juni 2010. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. T.M.M. Kusters. Namens het Uwv is mr. W.M.J. Evers verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, werkzaam als gezinsverzorgster, is op 19 november 1996 uitgevallen in verband met zwangerschapsklachten, nadien gevolgd door klachten van psychische aard. Aan haar is per 18 november 1997 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Nadien is dit percentage verlaagd naar 65 tot 80% in verband met het feit dat appellante voor 10 uur per week is gaan werken als verzorgende A.

1.2. In het kader van een herbeoordeling is appellante onderzocht door J. ten Kortenaar, verzekeringsarts, die heeft vastgesteld dat er sprake is van een bipolaire stoornis met psychotische kenmerken, terwijl er tevens sprake is van een schildklierafwijking. Appellante is aangewezen op werk zonder psychische belasting. Tevens meent deze arts dat er gelet op de aard van de aandoening en de daaruit voortvloeiende kwetsbaarheid een - preventieve - urenbeperking van toepassing moet zijn, zij het niet de door appellante gestelde 10 uur per week. Een werktijd van 20 uur per week moet volgens deze verzekeringsarts haalbaar zijn. De staf verzekeringsarts R.H.P Draaijer heeft met name dit laatste - dat er een preventieve urenbeperking aan de orde is, maar dat er geen medische redenen zijn waarom appellante niet 20 uur per week zou kunnen werken - onderschreven. De beperkingen van appellante zijn vervolgens vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 13 januari 2006. De arbeidsdeskundige heeft een aantal voor appellante geschikte functies geselecteerd in verband waarmee haar verlies aan verdiencapaciteit is te stellen op 52,41%. Bij besluit van 10 februari 2006 heeft het Uwv appellante medegedeeld dat de mate van arbeidsongeschiktheid per 10 april 2006 is te stellen op 45 tot 55%. Namens appellante is bezwaar gemaakt tegen dit besluit. In het kader van dit bezwaar is rapport uitgebracht door P. Bavelaar, bezwaarverzekeringsarts, en M. Prosee, bezwaararbeidsdeskundige. Deze laatste heeft de bij de geselecteerde functies voorkomende signaleringen toegelicht. Bij besluit van 31 juli 2006 (hierna het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het namens appellante ingestelde beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven. De rechtbank heeft met name geoordeeld, dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest, dat er voldoende beperkingen in de FML zijn opgenomen en dat er onvoldoende basis is voor de stelling van appellante dat zij niet meer dan 10 uur per week zou kunnen werken in de voor haar geschikt geachte functies.

3. In hoger beroep heeft appellante met name gesteld dat zij meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen en heeft zij zich - wederom - verzet tegen het oordeel dat zij meer dan 10 uur per week zou kunnen werken. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft zij de eerder genoemde rapporten van Huisman en Matser in geding gebracht.

4.1. De Raad oordeelt als volgt.

4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat ten aanzien van appellante een urenbeperking in acht genomen dient te worden. Wel verschillen partijen van mening over de omvang daarvan. Tevens is in geschil of in de FML voldoende beperkingen zijn opgenomen.

4.3. De Raad heeft als hiervoor aangegeven aanleiding gezien om dr. Van Os te vragen appellante te onderzoeken en, onder meer, de vraag te beantwoorden of hij zich kan verenigen met de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid van appellante. Deze deskundige is in zijn rapport van 9 november 2009 tot de conclusie gekomen, dat op de datum in geding sprake was van een bipolaire stoornis en cognitieve problemen - welke cognitieve klachten passen bij een bipolaire stoornis - en heeft in zijn rapport op verschillende items uit de rubrieken 1 en 2 van de FML meer of andere beperkingen aangegeven dan door het Uwv is geschied. Hij kan zich dan ook niet verenigen met de FML van 13 januari 2006. Volgens vaste rechtspraak van de Raad dient het oordeel van de door de rechter ingeschakelde onafhankelijke deskundige te worden gevolgd, tenzij sprake is van (zeer) bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om daarvan af te wijken. De Raad ziet geen aanleiding om de deskundige niet te volgen in zijn oordeel, met name dat een bipolaire stoornis zoals deze bij appellante bestaat - over deze diagnose bestaat tussen partijen overigens geen verschil van mening - vaak gepaard gaat met cognitieve beperkingen en dat dit laatste ook geldt voor appellante. Juist op het cognitieve vlak zijn volgens de deskundige te weinig beperkingen in de FML van 13 januari 2006 opgenomen. In deze FML zijn, zo stelt de Raad vast, weliswaar beperkingen opgenomen in de rubrieken 1 en 2, maar deze hebben vooral tot achtergrond dat appellante is aangewezen op stress-arm werk en betreffen vrijwel niet het cognitieve aspect. De door de bezwaarverzekeringsarts Lenders geplaatste kanttekeningen bij het rapport van de deskundige acht de Raad niet doorslaggevend mede gelet op de uitgebreide reactie van Van Os op het commentaar van Lenders en mede gezien het gegeven dat het rapport van Van Os op een aantal punten geheel in lijn is met het eerder in geding gebrachte rapport van dr. Huisman.

4.4. De Raad voegt aan het voorgaande nog het volgende toe. Indien eenmaal is besloten tot het aannemen van een urenbeperking dan heeft het inschatten van de exacte omvang daarvan een enigszins arbitrair karakter. In elk geval kan daarbij niet beslissend zijn dat appellante meent de voor haar ongeschikte, althans niet geselecteerde functie van verzorgende A slechts 10 uur per week te kunnen volhouden. Hetgeen onder 4.2 en 4.3 is overwogen, zo zij ter voorlichting van appellante opgemerkt, behoeft overigens nog niet te betekenen dat zij voor geen enkele functie op de arbeidsmarkt geschikt is te achten.

4.5. Nu de Raad de medische grondslag van het bestreden besluit ondeugdelijk acht moet de aangevallen uitspraak worden vernietigd. Het beroep dient gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. Het Uwv zal worden opgedragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen. In dit nieuw te nemen besluit zal het Uwv tevens over de gevorderde renteschade dienen te beslissen.

5. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante, te begroten op € 644,- in beroep en € 966,- in hoger beroep, in totaal € 1610,-. Ten aanzien van de gevorderde kosten van de rapporten van Huisman en Matser voornoemd overweegt de Raad dat deze voor vergoeding in aanmerking komen. Gelet op artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht komt appellante terzake een forfaitaire vergoeding toe van € 2138,25. Dit is gebaseerd op voor dergelijke rapporten in artikel 1, eerste lid en artikel 3, eerste lid en onder a, van de Wet tarieven in strafzaken van toepassing verklaarde Besluit tarieven in stafzaken, waarin een maximum uur tarief is vastgesteld van € 81,23 respectievelijk € 61,71. Aan reiskosten komt appellante een vergoeding toe van € 55,80.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante ten bedrage van, in totaal € 3748,25 (€ 1610,- plus € 2138,25) plus € 55,80 = € 3804,05.

Bepaalt dat het Uwv het betaalde griffierecht van € 38,- in beroep en € 106,- in hoger beroep, in totaal € 144,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en J. Riphagen en C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2010.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) D.E.P.M. Bary.

RK