Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN1287

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-07-2010
Datum publicatie
15-07-2010
Zaaknummer
08-723 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering loongerelateerde WGA-uitkering omdat appellante niet voldoet aan de in artikel 58, lid 1, van de WIA neergelegde referte-eis. Wetswijziging ten aanzien van referte-eis. De wetgever heeft bewust gekozen voor inwerkingtreding van artikel XII, onderdeel M, van de Verzamelwet met ingang van 1 januari 2007 bij besluit van 15 december 2006. De Raad heeft in de Nota van wijziging van de Verzamelwet en de daarbij gegeven toelichting op artikel XII, onderdeel M (Kamerstukken II, 2005/06, 30 682, nr. 6, blz. 10), welke toelichting (ook) is weergegeven in het schrijven van de Minister van 29 mei 2009, noch in de Nota van toelichting op het besluit van 15 december 2006 een aanknopingspunt gevonden voor een andersluidend oordeel. Evenmin als de rechtbank ziet de Raad in de omstandigheid dat na de datum in geding de voorwaarden voor de referte-eis zijn gewijzigd reden om te oordelen dat op de datum in geding de toenmalige voorwaarden aan appellante niet mochten worden gesteld. Wetswijziging niet in strijd met het op grond van art. 1 van het Eerste Protocol, EVRM beschermde recht op ongestoord genot van eigendom. Geen sprake van strijd met gelijkheidsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2010/243
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/723 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 december 2007, 07/862 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 14 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door [naam echtgenoot]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.F. Sitvast.

Na de behandeling van het geding ter zitting van 25 maart 2009 heeft de Raad besloten het onderzoek te heropenen.

Naar aanleiding van de door partijen ingenomen standpunten heeft de Raad aanleiding gezien bij brief van 22 april 2009 enkele vragen voor te leggen aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de Minister). Bij brief van 29 mei 2009 heeft de Minister deze vragen beantwoord.

Na de behandeling van het geding ter zitting van 2 december 2009, waarbij appellante en haar echtgenoot aanwezig waren en het Uwv zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. Sitvast, heeft de Raad besloten het onderzoek wederom te heropenen.

Vervolgens heeft de Raad het Uwv enkele vragen voorgelegd. Bij brief van 22 december 2009, aangevuld bij schrijven van 7 januari 2010 en faxbericht van 4 februari 2010, heeft het Uwv deze vragen beantwoord. Daarbij heeft het Uwv aangegeven dat ten aanzien van appellante (alsnog) een (herleefd) recht op loongerelateerde WW-uitkering is ontstaan per 18 december 2006 met een duur van 14 maanden. Appellante heeft deze reacties van het Uwv van commentaar voorzien.

Met toestemming van partijen heeft de Raad vervolgens bepaald dat nader onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende, voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving met ingang van 1 juni 2004 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet. Met ingang van 1 oktober 2004 is zij tot en met 31 maart 2005 een tijdelijk dienstverband aangegaan als accountmanager. Op 20 december 2004 is appellante voor die werkzaamheden ten gevolge van een hernia uitgevallen. Bij besluit van 20 december 2006 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante met ingang van 18 december 2006 recht heeft op een vervolguitkering van de WGA-uitkering. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en aangevoerd dat zij per laatstgenoemde datum recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering.

1.2. Het Uwv heeft bij besluit van 13 maart 2007 (hierna: bestreden besluit) het bezwaar ongegrond verklaard. Het Uwv heeft daarbij het standpunt ingenomen dat appellante niet in aanmerking komt voor een loongerelateerde WGA-uitkering omdat zij niet voldoet aan de in artikel 58, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) neergelegde referte-eis.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellante tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft erop gewezen dat de referte-eis van artikel 58, eerste lid, van de Wet WIA met ingang van 1 januari 2007 is gewijzigd door welke wijziging appellante wel zou hebben voldaan aan de voor de loongerelateerde WGA geldende referte-eis. De rechtbank heeft geoordeeld dat moet worden aangenomen dat de wetgever bewust heeft afgezien van inwerkingtreding van deze wijziging met verdere terugwerkende kracht, zodat appellante op 18 december 2006 moest voldoen aan de toen geldende voorwaarden van de referte-eis voor de loongerelateerde WGA-uitkering. Naar het oordeel van de rechtbank staat vast en is niet in geschil dat appellante daaraan niet voldeed.

3. De Raad overweegt als volgt.

3.1.1. Artikel 58, eerste lid, van de Wet WIA luidde tot 1 januari 2007 als volgt:

“1. De verzekerde voldoet aan de referte-eis indien hij:

a. in 36 weken onmiddellijk voorafgaande aan de eerste dag na de dag waarop het recht op loon op grond van artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek of bezoldiging op grond van hoofdstuk IV, vierde afdeling, van de Ziektewet of het recht op ziekengeld op grond van artikel 29 van de Ziektewet is geëindigd, in ten minste 26 weken als verzekerde arbeid heeft verricht; of

b. onmiddellijk voorafgaande aan de eerste dag van de wachttijd recht heeft op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet.

3.1.2. Op grond van artikel XII, onderdeel M, van de Verzamelwet sociale verzekeringen 2007 (hierna: Verzamelwet) is het eerste lid van artikel 58 van de Wet WIA gewijzigd en is aan het eerste lid onderdeel c toegevoegd. Bij besluit van 15 december 2006 (Stb. 2006, 704) is bepaald dat deze wijziging met ingang van 1 januari 2007 in werking treedt. Onderdeel c luidt als volgt:

“c. zijn recht op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet is geëindigd wegens het gaan verrichten van arbeid in dienstbetrekking en hij op de eerste dag van de wachttijd recht op herleving van die uitkering zou hebben gehad, indien hij op die dag geen recht had gekregen op ziekengeld als bedoeld in de Ziektewet.”

3.2. Tussen partijen is niet in geschil – en ook de Raad stelt vast – dat appellante op de datum in geding, 18 december 2006, volgens de voorwaarden, zoals deze tot 1 januari 2007 golden, niet voldeed aan de referte-eis voor een loongerelateerde WGA-uitkering.

3.3.1. Appellante heeft in hoger beroep haar eerder ingenomen standpunt herhaald dat als zij niet met ingang van 1 oktober 2004 aan het werk was gegaan, zij zich per 20 december 2004 arbeidsongeschikt had gemeld vanuit een situatie dat zij WW-uitkering ontving en dat zij in dat geval een loongerelateerde WGA-uitkering zou hebben ontvangen. Zij heeft aangevoerd dat de wetgever bij de Verzamelwet deze onvolkomenheid met invoering van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet WIA weliswaar heeft gerepareerd, doch ten onrechte met ingang van 1 januari 2007. Naar haar mening had de wetgever de wijziging van artikel 58, eerste lid, van de Wet WIA moeten laten ingaan met terugwerkende kracht met ingang van de inwerkingtreding van de Wet WIA, te weten 29 december 2005.

3.3.2. Bij in rubriek 1 vermeld schrijven van 29 mei 2009 heeft de Minister op de hem voorgelegde vragen met betrekking tot de inwerkingtreding van artikel XII, onderdeel M, van de Verzamelwet geantwoord dat met de toevoeging van onderdeel c aan artikel 58, eerste lid, van de Wet WIA nieuw beleid vorm is gegeven en dat van herstel van een omissie ten aanzien van de per 29 december 2005 in werking getreden Wet WIA geen sprake is. Onderdeel c is daarom niet met terugwerkende kracht tot laatstgenoemde datum, maar per 1 januari 2007 in werking getreden. Evenmin is er reden, aldus de Minister, om aan de invoering van onderdeel c alsnog terugwerkende kracht te geven.

3.3.3. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat, mede gelet op het schrijven van de Minister van 29 mei 2009, moet worden aangenomen dat de wetgever bewust heeft gekozen voor inwerkingtreding van artikel XII, onderdeel M, van de Verzamelwet met ingang van 1 januari 2007 bij besluit van 15 december 2006. De Raad heeft in de Nota van wijziging van de Verzamelwet en de daarbij gegeven toelichting op artikel XII, onderdeel M (Kamerstukken II, 2005/06, 30 682, nr. 6, blz. 10), welke toelichting (ook) is weergegeven in het schrijven van de Minister van 29 mei 2009, noch in de Nota van toelichting op het besluit van 15 december 2006 een aanknopingspunt gevonden voor een andersluidend oordeel. Evenmin als de rechtbank ziet de Raad in de omstandigheid dat na de datum in geding de voorwaarden voor de referte-eis zijn gewijzigd reden om te oordelen dat op de datum in geding de toenmalige voorwaarden aan appellante niet mochten worden gesteld.

3.4. Naar het oordeel van de Raad komt de in overweging 3.1.2 genoemde wetswijziging niet in strijd met het op grond van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden beschermde recht op ongestoord genot van eigendom. Zoals in overweging 3.2 is vastgesteld had appellante op de datum in geding, 18 december 2006, volgens de toen geldende voorwaarden geen recht op een loongerelateerde WGA-uitkering. Anders dan appellante heeft aangevoerd is met de inwerkingtreding van het gewijzigde artikel 58, eerste lid, van de Wet WIA dan ook geen sprake van ontneming van een bestaand recht.

3.5. Het door appellante gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Voor zover appellante daarmee doelt op het verschil tussen haar en degene die in overigens gelijke omstandigheden verkeert, maar (net) na 1 januari 2005 ziek is geworden (en zodoende na 1 januari 2007 het einde van de wachttijd voor de Wet WIA bereikt), moet worden opgemerkt dat in verband met het onder 3.3.2 genoemde artikel van de Verzamelwet en het Besluit tot inwerkingtreding ervan nu eenmaal voor en na 1 januari 2007 verschillende voorwaarden gelden voor het voldoen aan de referte-eis. Daarbij attendeert de Raad erop, dat de uitbreiding van de groep personen die aan de referte-eis voor de WGA kunnen voldoen, een maatregel van sociaal en economisch beleid is ten aanzien waarvan de wetgever, naar vaste rechtspraak, een ruime beoordelingsmarge toekomt. Dit geldt des te meer voor de – naar haar aard immer enigszins arbitraire – keuze van het moment van inwerkingtreding ervan. Een en ander treft appellante ook niet disproportioneel, nu uit eerder genoemde brief van het Uwv blijkt dat aan haar een (loongerelateerde) WW-uitkering is toegekend gedurende 14 maanden. Dat dit recht, zoals appellante stelt, niet precies dezelfde omvang heeft als de aan haar onthouden loongerelateerde WGA- uitkering doet daaraan niet af.

3.6. De Raad komt tot de slotsom dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat appellante met ingang van 18 december 2006 geen recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering, zodat de rechtbank het bestreden besluit terecht in stand heeft gelaten. Het hoger beroep slaagt derhalve niet, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en H. Bolt en J. Riphagen, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken op 14 juli 2010.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) A.L. de Gier.

RK