Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN1280

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-07-2010
Datum publicatie
15-07-2010
Zaaknummer
09-1988 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1988 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 26 februari 2009, 08/573 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 14 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld en zijn nadien nadere stukken ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift en reacties op de nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. A. Faber-Speksnijder, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A. Klaver.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was laatstelijk werkzaam als kantoorbediende/secretaresse voor 40 uur per week. In 1977 heeft zij zich ziek gemeld vanwege reumatoïde artritis en een hypofysetumor. Het Uwv heeft appellante na de wettelijke wachttijd van 52 weken in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, welke uitkering sindsdien ongewijzigd is voortgezet.

1.2. In 2007 heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante herbeoordeeld. Op basis van de conclusies van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 26 november 2007 de WAO-uitkering van appellante per 27 januari 2008 herzien en berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

1.3. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Het Uwv heeft, na onderzoeken door de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige, bij besluit van 16 mei 2008 het bezwaar ongegrond verklaard.

2.1. Appellante heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Tijdens de procedure in beroep heeft het Uwv een nader besluit van 11 september 2008 genomen. Hierbij is één van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies, te weten die van archiefmedewerker/medewerker bibliotheek, vanwege de intensiteit van het werken met toetsenbord en muis alsnog minder geschikt bevonden en vervangen door de functie van assistent consultatiebureau die eerder aan appellante was voorgehouden.

Hierdoor is de mate van arbeidsongeschiktheid per 27 januari 2008 alsnog vastgesteld in de klasse 55 tot 65% en is de WAO-uitkering dienovereenkomstig herzien.

2.2. Het beroep van appellante is door de rechtbank onder toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht mede gericht geacht tegen het besluit van 11 september 2008 (hierna: het bestreden besluit).

Bij de aangevallen uitspraak is, voor zover thans van belang, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe, kort samengevat, geoordeeld dat de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit juist is.

3.1. Appellante kan zich niet met de aangevallen uitspraak verenigen omdat hierin te weinig rekening is gehouden met haar lichamelijke en psychische klachten. Volgens haar hadden met name ook cognitieve beperkingen en een duurbeperking moeten worden aanvaard. Appellante heeft daartoe in hoger beroep verwezen naar brieven van haar internist-endocrinoloog dr. N.R. Biermasz van 3 april 2009 en 6 april 2010, waarin deze uitleg geeft over de hormoonziekte waaraan appellante lijdt en waarin deze over haar recente onderzoeksbevindingen omtrent appellante rapporteert. Voorts heeft appellante verwezen naar informatie over onderzoek door het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC) naar de kwaliteit van leven bij patiënten met verschillende hypofysaire aandoeningen. Appellante betreurt het dat de rechtbank geen onafhankelijke deskundige heeft geraadpleegd.

3.2. In verweer heeft het Uwv verwezen naar de reacties van zijn bezwaarverzekeringsarts N. Visser. Deze heeft daarin gemotiveerd waarom de nader in hoger beroep ingezonden informatie naar haar opvatting geen argumenten bevat om appellantes belastbaarheid voor arbeid, zoals deze ten grondslag ligt aan het bestreden besluit, te wijzigen.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad acht het verzekeringsgeneeskundig onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt zorgvuldig. De primaire verzekeringsarts van het Uwv heeft naar aanleiding van een eigen onderzoek op 27 augustus 2007 informatie opgevraagd bij de behandelend reumatoloog en internist-endocrinoloog van appellante. Daaruit is naar voren gekomen dat er functionele beperkingen zijn aan de handen, polsen en voeten vanwege reumatoïde artritis en aan de rug vanwege osteoporose. De verzekeringsarts heeft, mede gelet op zijn eigen bevindingen, beperkingen aanvaard voor onder meer het gebruik van de handen en de voeten en voor tillen of dragen, lang staan en lopen, langdurig zitten, frequent buigen of bukken en wringen en draaien. Met inachtneming van deze beperkingen heeft hij appellante geschikt geacht voor lichte arbeid. Bezwaarverzekeringsarts Visser heeft rekening gehouden met die informatie en heeft de hoorzitting bijgewoond. Verder heeft zij desgevraagd nog nadere informatie ontvangen van de behandelend reumatoloog en internist-endocrinoloog gedateerd op respectievelijk 4 april 2008 en 2 mei 2008. Na weging van de verschillende medische gegevens heeft zij het primaire medisch oordeel in haar rapport van 6 mei 2008 gemotiveerd onderschreven, waarbij zij ook heeft onderkend dat appellante klachten van vermoeidheid heeft.

De medische gegevens die nadien in beroep en in hoger beroep door appellante in het geding zijn gebracht kunnen de Raad, ook gelet op de reacties van de bezwaarverzekeringsarts, niet tot het oordeel brengen dat onvoldoende medisch onderzoek is verricht.

De Raad neemt hierbij in beschouwing dat in de op appellante betrekking hebbende medische gegevens niet is vermeld dat zij op of rond 27 januari 2008 op psychisch vlak leed aan een ziekte of gebrek.

4.2. De Raad acht de medische grondslag van het bestreden besluit daarmee ook voldoende deugdelijk. Zoals de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft geoordeeld, komen de aanvaarde functionele beperkingen overeen met de voorhanden zijnde medische informatie en is voldoende onderbouwd waarom verdere beperkingen niet aan de orde zijn. Uit het algemene onderzoek door het LUMC, waaraan ook door appellante individueel is deelgenomen, is niet naar voren gekomen dat er bij haar, zoals zij veronderstelde, daadwerkelijk sprake is van psychische problematiek. Tijdens dit onderzoek, dat eind 2009 plaatsvond, is gemeten dat appellante op een enkel aspect, namelijk het geheugen voor het gesproken woord (maar niet op het visuele en algemene geheugen) en fluency (het kunnen reproduceren van bepaalde zaken) minder goed presteerde dan de controlepersonen. Een verband met haar hypofysaire aandoening is met dit onderzoek niet komen vast te staan. Bezwaarverzekeringsarts Visser heeft over dit onderzoek nog opgemerkt dat, naast de vraag die gesteld kan worden naar de betrouwbaarheid van de uitkomst van de uitgevoerde tests, met het onderzoek niet is komen vast te staan dat appellante minder op de genoemde aspecten heeft gepresteerd dan waartoe gezonde personen in de leeftijd van 16 tot 65 jaar minimaal in staat zijn, hetgeen in het kader van de WAO als criterium geldt. Voor de Raad bieden de uitkomsten van het onderzoek, hoe belangrijk dit ook was, daarom geen aanknopingspunten voor de stelling dat in de FML per de datum, die in dit geding van belang is, voor persoonlijk en sociaal functioneren in arbeid voor appellante beperkingen hadden moeten worden opgenomen. Daarbij komt nog dat het tijdstip van testen ruim na die datum was gelegen.

4.3. Voor het raadplegen van een medisch deskundige ziet de Raad onder de gegeven omstandigheden geen aanleiding.

4.4. Aangenomen is dat appellante de functies van verkoper groothandel (Sbc-code 317012), telefonist, receptionist (Sbc-code 315120), chauffeur bijzonder vervoer (bestel/personenwagen) (Sbc-code 282101) en assistent consultatiebureau (Sbc-code 372091) op 27 januari 2008 zou kunnen vervullen. Ook de Raad is van oordeel dat deze functies in medisch opzicht op deze datum voor appellante geschikt konden worden geacht, gelet op de ten aanzien van haar vastgestelde functionele beperkingen en de daarbij gegeven arbeidskundige toelichtingen. Hierbij merkt de Raad nog op dat het om eenvoudige en fysiek niet zware functies gaat.

4.5. Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden gevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en M.C.M. van Laar als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2010.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) R.L. Venneman.

EK