Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN1266

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-07-2010
Datum publicatie
15-07-2010
Zaaknummer
09-6994 ABW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling ingangsdatum bijstand. Geen sprake van bijzondere omstandigheden om met terugwerkende kracht bijstand te verstrekken over een periode voorafgaande aan de melding bij het CWI.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6994 ABW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 november 2009, 09/2936 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 13 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Amrani, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2010. Appellante is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door dr. mr. J.M. Boegborn, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante heeft zich op 2 december 2002 gemeld bij het Centrum voor werk en inkomen (CWI) voor het aanvragen van bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet. Als reden voor de aanvraag heeft appellante opgegeven dat zij vanaf 22 augustus 2002 geen alimentatie meer ontvangt. Bij besluit van 10 juli 2003 heeft het College aan appellante met ingang van 2 december 2002 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de ingangsdatum van de bijstand. Bij besluit van 20 mei 2009 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 10 juli 2003 ongegrond verklaard. Aan het besluit op bezwaar heeft het College ten grondslag gelegd dat niet is gebleken dat het voor appellante onmogelijk was om vóór 2 december 2002 bijstand aan te vragen. In de omstandigheid dat, zoals appellante heeft aangevoerd, haar ex-echtgenoot vanaf 22 augustus 2002 met de alimentatiebetaling is gestopt, heeft het College geen bijzondere omstandigheid gezien om de bijstand met terugwerkende kracht te verlenen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

20 mei 2009 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich gemotiveerd gekeerd tegen de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Voor het wettelijk kader verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

4.2. Tussen partijen is in geschil of in de situatie van appellante sprake is van bijzondere omstandigheden die een rechtvaardiging vormen voor afwijking van het uitgangspunt dat in beginsel geen bijstand wordt verleend over een periode voorafgaande aan de datum waarop de melding bij het CWI heeft plaatsgevonden.

4.3. Appellante heeft aangevoerd dat zij er ten onrechte vanuit is gegaan dat haar gewezen echtgenoot na de ontbinding van het huwelijk gehouden was aan haar alimentatie te blijven betalen en dat zij het uitblijven van betaling destijds heeft geweten aan de onwil van haar gewezen echtgenoot. Zij was er niet van op de hoogte gesteld dat hij voornemens was de alimentatiebetaling te beëindigen, omdat hij daartoe wettelijk niet meer gehouden was. Volgens appellante was sprake van een verschoonbare dwaling.

4.4. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden als hiervoor aangegeven. Appellante is door gemachtigde bij brief van 28 augustus 2002 geïnformeerd over de ontbinding van het huwelijk per 22 augustus 2002. Zij had kunnen weten dat haar gewezen echtgenoot de betaling van de uitkering in het levensonderhoud na de ontbinding van het huwelijk niet zou voortzetten. Appellante heeft ruim drie maanden gewacht met het aanvragen van bijstand nadat haar gewezen echtgenoot met betaling van alimentatie was gestopt. De meerderjarige dochters van appellante hebben, zoals appellante tijdens de hoorzitting heeft verklaard, in de periode tot 2 december 2002 in haar kosten van levensonderhoud voorzien. De Raad is met de rechtbank en het College van oordeel dat in de door appellante aangevoerde omstandigheden geen bijzondere omstandigheden zijn gelegen om met terugwerkende kracht bijstand te verstrekken over een periode voorafgaande aan de melding bij het CWI op 2 december 2002.

4.5. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het bezwaar van appellante zich uitsluitend richtte tegen het besluit van 10 juli 2003. De omstandigheid dat in het aanvullend bezwaarschrift van 15 april 2009 de terugvordering van gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 10.862,05 is aangevoerd als een argument voor toekenning van bijstand met ingang van 22 augustus 2002, betekent niet dat daarmee bezwaar is gemaakt tegen het terugvorderingsbesluit van 23 mei 2002. Bij het besluit van 20 mei 2009 heeft het College zich derhalve terecht beperkt tot de heroverweging van het besluit van 10 juli 2003.

4.6. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.F. Bandringa en E.J.M. Heijs als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2010.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) J. de Jong.

AV