Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN1256

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-07-2010
Datum publicatie
15-07-2010
Zaaknummer
09-5214 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Korting en terugvordering op WAO-uitkering. Oplegging van boete. Inkomsten uit arbeid. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5214 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 18 augustus 2009, 08/237 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak:14 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N.C.A. Elias-Boots, advocaat te Helmond, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2010. Appellant is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant ontving sinds 27 mei 1996 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Naar aanleiding van een anonieme tip is een fraudeonderzoek ingesteld, waarvan verslag is gedaan in een rapport werknemersfraude van 24 oktober 2006. Daarin wordt geconcludeerd dat appellant sinds 2001 inkomsten uit werkzaamheden - verricht ten behoeve van de onderneming van zijn echtgenote - heeft verkregen, welke hij niet heeft gemeld aan het Uwv. De rapporteur concludeert verder dat alle inkomsten en verdiensten volledig zijn toe te schrijven aan appellant, omdat laatstgenoemde heeft verklaard dat zijn echtgenote geen werkzaamheden verricht.

1.3. Arbeidsdeskundige J.S. Wijbenga heeft vervolgens een onderzoek verricht naar de werkzaamheden van appellant en de gevolgen hiervan voor zijn WAO-uitkering. In het daarvan opgemaakte rapport van 13 juli 2007 wordt door de arbeidsdeskundige getwijfeld aan de verklaring van appellant dat hij alle werkzaamheden zou hebben verricht, omdat hij hem daartoe medisch gezien niet in staat acht. In afwijking van het rapport werknemersfraude wordt er vervolgens op basis van een geschatte werktijd van 16 tot 23 uur per week, geconcludeerd dat niet de gehele, maar de helft van de winst is toe te rekenen aan appellant.

1.4. Op grond van de bevindingen en conclusies van het rapport werknemersfraude van 24 oktober 2006 alsmede het arbeidsdeskundig rapport van 13 juli 2007 heeft het Uwv de volgende besluiten genomen:

- een besluit van 19 juli 2007, waarbij in verband met inkomsten uit arbeid de uitkering van appellant met toepassing van artikel 44, eerste lid, van de WAO over het jaar 2005 wordt gekort en wordt uitbetaald als ware de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant 65 tot 80%;

- een besluit van 24 juli 2007, waarbij van appellant wordt teruggevorderd hetgeen aan hem over het jaar 2005 onverschuldigd aan WAO-uitkering is uitbetaald, neerkomende op een bedrag van € 4.912,02;

- een besluit van 15 augustus 2007, waarbij appellant een boete van

€ 495,- wordt opgelegd wegens schending van de inlichtingenverplichting.

2. Appellant heeft tegen voornoemde besluiten bezwaar gemaakt. Bij besluit van 18 december 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellant ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat voldoende aannemelijk is geworden dat appellant op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht en dat aan deze activiteiten het karakter van hobbymatige bezigheden moet worden ontzegd. Gelet op de aard en duur van deze werkzaamheden, zijn deze van economische betekenis voor de onderneming van de echtgenote. De rechtbank heeft voorts overwogen dat appellant met een verdeling van de winst tussen hem en zijn echtgenote van 50% elk, niet te kort is gedaan en heeft daarbij verwezen naar de verklaring die appellant op

20 september 2006 tegenover de fraude-inspecteur heeft afgelegd en naar het onderzoek van de arbeidsdeskundige. Uit laatstvermeld onderzoek volgt volgens de rechtbank niet dat appellants aandeel in de winst minder zou moeten zijn dan dat van de echtgenote. Verder heeft zij beslist dat er naar haar oordeel geen sprake is van dringende redenen als bedoeld in artikel 57, vierde lid, van de WAO op grond waarvan het Uwv geheel of gedeeltelijk van terugvordering had dienen af te zien. Tot slot acht de rechtbank de opgelegde boete rechtmatig.

4. Appellant heeft in hoger beroep de juistheid van het oordeel van de rechtbank betwist en daartoe in essentie de in eerste aanleg aangevoerde gronden herhaald. Appellant is van mening dat hij niet gehouden kan worden aan hetgeen hij tegenover de fraude-inspecteur heeft verklaard. Er is geenszins sprake van op geld waardeerbare werkzaamheden, maar slechts van het bieden van hulp aan zijn echtgenote. Appellant stelt voorts dat het Uwv ten onrechte is afgegaan op de aan de Belastingdienst opgegeven fiscale winst en acht de verdeling van 50% onjuist. De korting is dan ook onrechtmatig te achten en daarmee vervalt de grondslag voor de terugvordering. Tot slot stelt appellant dat de boete ten onrechte is opgelegd.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. Met betrekking tot de korting staat ook voor de Raad genoegzaam vast dat, gelet op de gegevens verkregen tijdens het fraudeonderzoek, en in het bijzonder de door appellant op 20 september 2006 tegenover de fraude-inspecteur afgelegde verklaring, appellant arbeid heeft verricht ten behoeve van het bedrijf van zijn echtgenote, waarvan hij niet rechtstreeks inkomen heeft ontvangen, maar wel gelet op de economische waarde van deze arbeid, indirect is verrijkt. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat in die gegevens geen steun kan worden gevonden voor appellants stelling dat het slechts om het bieden van hulp aan zijn echtgenote ging. Er zijn geen aanknopingspunten om aan de juistheid van de door appellant op 20 september 2006 afgelegde verklaring te twijfelen. In vaste rechtspraak van de Raad ligt immers besloten dat in beginsel van de juistheid van tegenover beambten belast met onderzoek naar de rechtmatigheid van uitkeringen afgelegde verklaringen mag worden afgegaan, zodat aan het intrekken daarvan of het achteraf ontkennen van het verklaarde, zeker wanneer dat niet direct nadien gebeurt, geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend. Appellant heeft zijn stelling dat het slechts om het bieden van hulp ging bovendien niet met enig (begin van) bewijs gestaafd.

5.3. Verder staat vast dat appellant van deze werkzaamheden geen melding heeft gemaakt aan het Uwv. De Raad stelt voorts vast dat de arbeidsdeskundige Wijbenga op één onderdeel ten gunste van appellant is afgeweken van het frauderapport. Wijbenga twijfelt aan appellants verklaring dat hij alle werkzaamheden heeft verricht en concludeert dat appellant en zijn echtgenote elk 50% van de werkzaamheden hebben verricht. De Raad acht deze verdeling van de werkzaamheden, en de daarmee samenhangende toerekening van de helft van de aan de Belastingdienst opgegeven fiscale winst aan appellant, niet onredelijk, gelet op de in het rapport van Wijbenga neergelegde motivering. Appellant heeft geen gegevens ingebracht op grond waarvan tot een andere verdeling dient te worden gekomen.

5.4. De Raad komt tot de conclusie dat het Uwv terecht met toepassing van artikel 44, eerste lid, van de WAO de WAO-uitkering van appellant over het jaar 2005 heeft uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. De Raad is verder niet gebleken dat het terugvorderings- en het boetebesluit onjuist moeten worden geacht. Niet is gebleken van dringende redenen als bedoeld in artikel 57, vierde lid, van de WAO om af te zien van terugvordering. Evenmin is gebleken van aanknopingspunten om af te zien van het opleggen van de boete dan wel de hoogte van het boetebedrag te verminderen.

5.5. Uit de overwegingen 5.2 tot en met 5.4 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en J. Riphagen en C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2010.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) D.E.P.M. Bary.

RK