Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN1247

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-07-2010
Datum publicatie
15-07-2010
Zaaknummer
09-5621 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5621 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 2 september 2009, 07/818 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 14 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. Ph.C. Kleyn van Willigen, advocaat te Almelo, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2010 waar appellante is verschenen, vergezeld van haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Ruis.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een uitgebreide weergave van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hier volstaat hij met het volgende.

1.2. Appellante is op 5 november 2002 met klachten van lichamelijke en psychische aard uitgevallen voor haar werk als klassenassistente voor 36 uur per week. Bij besluit van 7 april 2004 heeft het Uwv de aanvraag van appellante om haar met ingang van het einde van de wettelijke wachttijd een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, afgewezen.

1.3. Bij besluit van 25 juni 2007 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 7 april 2004 gegrond verklaard en appellante met ingang van 4 november 2003 een uitkering ingevolge de WAO toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 25 juni 2007 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. In haar uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het bestreden besluit, blijkens de rapporten van 11 november 2008 en 28 mei 2009 van de door de rechtbank geraadpleegde deskundige, psychiater dr. L. Timmerman, berust op een juiste medische grondslag. Ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit is door de rechtbank onderschreven.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank de rapporten van de deskundige Timmerman niet aan haar oordeel ten grondslag heeft kunnen leggen. In zijn rapport van 11 november 2008 kon de deskundige immers geen van de vragen van de rechtbank beantwoorden omdat hij de gezondheidssituatie van appellante ten tijde in geding niet kon beoordelen. Het is onbegrijpelijk dat de deskundige vervolgens in zijn brief van 28 mei 2009 wel kan stellen dat er voldoende beperkingen zijn opgenomen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 15 november 2004. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft appellante gewezen op de brief van 10 mei 2004 van haar behandelend psychiater A.J.E. Bosman. Voorts heeft appellante een nadere reactie van Bosman van 7 december 2009 overgelegd.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat in vaste rechtspraak besloten ligt dat het oordeel van de onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel moet worden gevolgd, tenzij zich een bijzonder geval voordoet waarin aanleiding is van dit uitgangspunt af te wijken. Met de rechtbank is de Raad voorts van oordeel dat zich hier niet een zodanig bijzonder geval voordoet. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat beide onder 3 genoemde psychiaters weliswaar van mening verschillen over de arbeidsbeperkingen van appellante per de in geding zijnde datum maar dat de door hen gestelde diagnoses niet al te ver uiteenlopen: Bosman spreekt over een dysthyme stoornis met agorafobische en obsessieve verschijnselen en somatisatie in augustus 2003 en de deskundige Timmerman deelt mee dat op 4 november 2003 sprake lijkt te zijn geweest van stemmingsproblematiek en problemen met de impulscontroleregulatie en concentratie. Uit de brief van de deskundige Timmerman van 28 mei 2009 kan worden afgeleid dat hij kennis heeft genomen van het rapport van 10 mei 2004 van Bosman en, met inachtneming daarvan, de FML van 15 november 2004 heeft onderschreven. In deze FML zijn beperkingen opgenomen in alle rubrieken, waaronder een niet onaanzienlijke urenbeperking van 20 uur per week. Waarom deze beperkingen onvoldoende zouden zijn kan de Raad uit de brief van Bosman van

7 december 2009 niet opmaken.

4.2. Uitgaande van de juistheid van de FML acht ook de Raad de passendheid van de geduide functies in medisch opzicht voldoende toegelicht met de zich onder de gedingstukken bevindende arbeidskundige rapporten.

5. Hetgeen in 4.1 en 4.2 is overwogen leidt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak bevestigd moet worden.

6. De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en J. Riphagen en C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2010.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) D.E.P.M. Bary.

RK