Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN1246

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-07-2010
Datum publicatie
15-07-2010
Zaaknummer
09-4906 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beroep door de rechtbank ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het bestreden besluit 2 is materieel gezien gelijk aan het bestreden besluit 1. Het beroep van appellant dat was gericht tegen het bestreden besluit 1 is door de rechtbank daarom terecht ingevolge het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb mede gericht geacht tegen het bestreden besluit 2. De Raad wijst er echter op dat het beroep, wat betreft het eerste bestreden besluit, zoals hiervoor geconstateerd, te laat is ingediend, maar dat deze termijnoverschrijding geen betrekking heeft op het tweede bestreden besluit, zodat het tegen bedoeld tweede bestreden besluit gericht te achten beroep niet op die grond niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Terugwijzing naar de rechtbank. (vergelijk LJN AA8794).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4906 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 17 juli 2009, 07/4533 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 14 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2010. Namens appellant is verschenen zijn gemachtigde drs. B.W.N. Vermeer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door C. van Nood.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 29 april 2005 heeft het Uwv appellant met ingang van 14 september 2003, een jaar voorafgaande aan zijn aanvraag, een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Nadat het Uwv aanvankelijk het tegen het besluit van 29 april 2005 ingediende bezwaar bij besluit van 10 oktober 2005 niet-ontvankelijk had verklaard, heeft het Uwv dit bezwaar naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 27 december 2006, bij besluit van 9 mei 2007 (hierna: het bestreden besluit 1) ongegrond verklaard.

2.1. Bij schrijven van 20 juni 2007, door de rechtbank ontvangen op 25 juni 2007, heeft appellant beroep ingesteld tegen het bestreden besluit 1. Hangende de beroepsprocedure heeft het Uwv op 10 september 2007 (hierna: het bestreden besluit 2) een nader besluit genomen en daarbij het bestreden besluit 1 ingetrokken wegens schending van de in artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde hoorplicht en het bezwaar wederom ongegrond verklaard. Het beroep van appellant tegen het bestreden besluit 1 is door de rechtbank mede gericht geacht tegen het bestreden besluit 2.

2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank appellants beroep wegens onverschoonbare termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Bij appellant is namelijk sprake van een vorm van autisme - en een daarmee samenhangend tempoprobleem - waardoor hem niet kan worden verweten dat hij niet tijdig beroep heeft ingesteld.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. De Raad stelt met de rechtbank vast dat appellants beroep tegen het bestreden besluit 1 buiten de in artikel 6:7 van de Awb neergelegde termijn van zes weken - waarbinnen appellant bij de rechtbank beroep had moeten instellen - is ingediend. In hoger beroep is de vraag aan de orde of de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld dat niet wordt voldaan aan artikel 6:11 van de Awb, omdat hetgeen appellant heeft aangevoerd niet kan worden aangemerkt als een verschoonbare reden van termijnoverschrijding. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij op grond van medische redenen in een dusdanige toestand verkeerde dat hij niet tijdig een beroepschrift heeft kunnen indienen. Dit leidt de Raad tot het oordeel dat de rechtbank het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit 1, terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

4.3. De Raad stelt vast dat het bestreden besluit 2 materieel gezien gelijk is aan het bestreden besluit 1. Het beroep van appellant dat was gericht tegen het bestreden besluit 1 is door de rechtbank daarom terecht ingevolge het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb mede gericht geacht tegen het bestreden besluit 2. De Raad wijst er echter op dat het beroep, wat betreft het eerste bestreden besluit, zoals hiervoor geconstateerd, te laat is ingediend, maar dat deze termijnoverschrijding geen betrekking heeft op het tweede bestreden besluit, zodat het tegen bedoeld tweede bestreden besluit gericht te achten beroep niet op die grond niet-ontvankelijk kan worden verklaard. De rechtbank heeft dit miskend door het beroep met betrekking tot zowel het eerste als het tweede bestreden besluit niet-ontvankelijk te verklaren. Voor een vergelijkbaar oordeel verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 24 maart 1998 (LJN AA8794).

4.4. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 10 september 2007 niet-ontvankelijk is verklaard, dient te worden vernietigd. De Raad ziet aanleiding de zaak in zoverre, met toepassing van artikel 26 van de Beroepswet, terug te wijzen naar de rechtbank te ’s-Gravenhage.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb, nu van voor vergoeding in aanmerking komende kosten van appellant niet is gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Wijst de zaak voor zover deze betrekking heeft op het besluit van 10 september 2007 ter verdere behandeling terug naar de rechtbank te ’s-Gravenhage;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierecht van € 110,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en J. Riphagen en C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2010.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) D.E.P.M. Bary.

RK