Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN1237

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-07-2010
Datum publicatie
15-07-2010
Zaaknummer
08-5573 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5573 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats], België (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 augustus 2008, 07/4052 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 14 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.A.H.N. Verkoeijen, advocaat te Venlo, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2010, waar appellante zich heeft laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Reitsma.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Nadat appellante, die werkzaam was als productiemedewerkster, zich op 16 oktober 2001 met bekkenklachten in verband met zwangerschap en psychische klachten ziek had gemeld, is haar na afloop van de wachttijd een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. In het kader van een herbeoordeling is appellante op 7 december 2006 onderzocht door de verzekeringsarts J. Klijn, die een zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van dezelfde datum heeft opgesteld. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige op 11 mei 2007 rapport uitgebracht, waarna bij besluit van 16 mei 2007 de uitkering is ingetrokken met ingang van 18 juli 2007, op de grond dat de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid op deze datum op minder dan 15% moet worden gesteld.

2. Nadat de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige rapport hadden uitgebracht heeft het Uwv bij besluit van 7 september 2007, hierna: het bestreden besluit, het bezwaar van appellante tegen het besluit van 16 mei 2007 ongegrond verklaard.

3.1. Appellante heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen omdat geen informatie aan haar behandelend psychiater is gevraagd. Voorts heeft zij aangevoerd dat zij geen duurzaam benutbare mogelijkheden tot het verrichten van arbeid heeft, in het bijzonder als gevolg van haar psychische beperkingen. Ten slotte meent appellante dat de geduide functies niet geschikt voor haar zijn, onder meer omdat zij geen Nederlands kan lezen en schrijven en omdat van een onjuist opleidingsniveau is uitgegaan.

3.2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard. Zij heeft, kort gezegd, de medische besluitvorming niet onzorgvuldig geacht en zij heeft zowel de medische als arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.

4. Appellante kan zich met deze uitspraak niet verenigen en heeft in hoger beroep haar gronden uit de beroepsprocedure herhaald. Ter zitting van de Raad heeft appellante gesteld dat thans is gebleken dat de klachten van appellante berusten op fibromyalgie en dat zij al eerder heeft aangevoerd dat een urenbeperking gesteld had moeten worden.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank in de aangevallen uitspraak en de overwegingen waarop dit berust. Daaraan voegt de Raad nog het volgende toe.

5.2. Appellante heeft ook de Raad geen reden kunnen opgeven waarom de bezwaarverzekeringsarts na het ontvangen van de informatie van 10 april 2007 van de behandelend psychiater dr.V. Beyaert opnieuw informatie had moeten opvragen. De bezwaarverzekeringsarts heeft de informatie van dr. Beyaert voorts uitvoerig besproken in zijn rapport van 17 augustus 2008. Van onzorgvuldigheid is naar het oordeel van de Raad geen sprake.

5.2.1. De verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts hebben naar het oordeel van de Raad overtuigend gemotiveerd waarom ten tijde in geding niet kon worden gesproken van een situatie waarin appellante geen duurzaam benutbare mogelijkheden had voor het verrichten van arbeid. Hoewel de behandelend psychiater appellante geheel arbeidsongeschikt achtte wijst de genoemde diagnose “aanpassingsstoornis met depressieve kenmerken” niet op een zeer ernstig psychiatrisch ziektebeeld.

5.2.2. Er zijn in de FML forse beperkingen gesteld in verband met het persoonlijk en sociaal functioneren van appellante. Appellante is verder beperkt voor het werken in de avond en de nacht. Ook in verband met de bekkenklachten zijn behoorlijke beperkingen aangenomen. De Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden voor de opvatting dat de medische beperkingen van appellante zijn onderschat. Aan de in beroep door appellante overgelegde verklaringen van haar fysiotherapeute en familieleden komt niet de door haar gewenste betekenis toe nu deze verklaringen geen medisch-objectieve gegevens bevatten. Verder heeft appellante de door haar gestelde noodzaak voor een urenbeperking niet met medische gegevens onderbouwd. De ter zitting gedane mededeling dat appellante lijdt aan fibromyalgie biedt deze onderbouwing niet, nog daargelaten of ook ten tijde in geding al sprake was van fibromyalgie.

5.3.1. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de geschiktheid van de geduide functies voor appellante voldoende is onderbouwd met de zich onder de gedingstukken bevindende arbeidskundige rapporten. Zoals de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapport van 5 december 2008 uiteen heeft gezet beschikt appellante over opleidingsniveau 2, voor welk niveau geldt dat lager onderwijs moet zijn voltooid. Appellante heeft namelijk in Marokko volledig basisonderwijs genoten en daarna nog enkele jaren een vervolgopleiding doorlopen.

5.3.2. Wat betreft de taalvaardigheid overweegt de Raad dat appellante ten tijde in geding 17 jaar in een Nederlandstalige omgeving verkeerde en mede uit dien hoofde geacht moet worden te beschikken over de bescheiden vaardigheden die in de functies worden gevraagd inzake de beheersing van de Nederlandse taal. Ten slotte wijst de Raad op het bepaalde in artikel 9, onderdeel a, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten en de hierop gebaseerde Regeling van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 15 september 2004, Stcrt. 2004,182.

6. Hetgeen in 5.1 tot en met 5.3.2 is overwogen leidt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak bevestigd moet worden.

7. De Raad ziet geen aanleiding een proceskostenveroordeling uit te spreken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende;

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en M.C.M. van Laar als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2010.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) R.L. Venneman.

JL