Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN1232

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-07-2010
Datum publicatie
15-07-2010
Zaaknummer
09-2896 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering uitkering ingevolge de WIA. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2896 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 20 april 2009, 08/6456 WIA (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 14 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.M.T. van Diepen, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2010, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.C. van Beek.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was werkzaam als tuinbouwmedewerker in WSW-verband. Op 6 maart 2006 heeft hij zich ziek gemeld in verband met een liesbreukoperatie. Daarnaast had appellant al langer last van arm-, schouder-, rug- en knieklachten. In december 2006 onderging appellant een appendixoperatie en sedert eind 2006 had hij hartklachten.

1.2. In het kader van de beoordeling van zijn aanspraak op een arbeidsongeschiktheidsuitkering is appellant op 13 december 2007 en 14 februari 2008 onderzocht door de verzekeringsarts M.F.L. Smol, die een zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 14 februari 2008 heeft opgesteld. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige op 26 februari 2008 rapport uitgebracht, waarna het Uwv bij besluit van 27 februari 2008 heeft vastgesteld dat voor appellant geen aanspraak op een uitkering ingevolge de WIA is ontstaan, omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 35% is.

2. Nadat de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige rapport hadden uitgebracht heeft het Uwv bij besluit van 22 juli 2008, hierna: het bestreden besluit, het bezwaar van appellant tegen het besluit van 27 februari 2008 ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard. Zij heeft, kort gezegd, zowel de medische als arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.

4. Appellant kan zich met deze uitspraak niet verenigen en heeft zich in hoger beroep, evenals in bezwaar en beroep, op het standpunt gesteld dat zijn medische beperkingen voor het verrichten van arbeid door het Uwv zijn onderschat. Appellant heeft erop gewezen dat de verzekeringsarts die hem in het kader van de Ziektewet begeleidde op 20 november 2007 heeft gerapporteerd dat appellant in verband met een instabiele angina pectoris niet duurzaam belastbaar was, en dat hij nog op 15 januari 2008 een dotterbehandeling heeft ondergaan, waarbij drie stents zijn geplaatst. Drie weken na de in geding zijnde datum lag appellant al weer in het ziekenhuis. De overige klachten, naast de hartklachten, zijn voorts onvoldoende meegewogen. Ten slotte vindt appellant het onbegrijpelijk dat hij niet geschikt wordt geacht voor zijn eigen WSW-werk in een beschermde omgeving, maar wel voor allerlei functies op de vrije arbeidsmarkt. Appellant is verder van mening dat de geschiktheid van de functie huishoudelijk medewerker onvoldoende is toegelicht.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. Evenmin als de rechtbank ziet de Raad aanknopingspunten voor het oordeel dat het Uwv de medische beperkingen van appellant ten tijde in geding heeft onderschat. De Raad hecht voor dit oordeel in het bijzonder betekenis aan het rapport van 18 juni 2008 van de bezwaarverzekeringsarts, waarin deze gemotiveerd en onder verwijzing naar informatie van de behandelend cardioloog uiteen heeft gezet dat reeds ten tijde van het onderzoek van de primaire verzekeringsarts op 13 december 2007 geen sprake meer was van een instabiele angina pectoris en dat het plaatsen van de stents in januari 2008 tot een nog betere toestand heeft geleid dan waarvan de verzekeringsarts bij het opstellen van de FML is uitgegaan. De bezwaarverzekeringsarts heeft er op gewezen dat ook met de lichte objectiveerbare klachten van het bewegingsapparaat rekening is gehouden. Uit informatie van de internist blijkt dat de ziekenhuisopname in maart 2008 in verband stond met een huidprobleem en diabetes mellitus, die met medicijnen behandeld konden worden en geen aanleiding geven tot het stellen van extra beperkingen.

Van de zijde van appellant is geen medische informatie ingebracht die aanknopingspunten geeft tot twijfel aan de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts dat de FML een juiste weergave vormt van de beperkingen van appellant ten tijde in geding.

5.2. Uitgaande van de juistheid van de FML acht de Raad met de rechtbank in de aangevallen uitspraak de passendheid van de geduide functies in medisch opzicht voldoende toegelicht in de zich onder de gedingstukken bevindende arbeidskundige rapporten. In de functie van schoonmaker (SBC-code 111333) is inderdaad sprake van het verrichten van handmatig schoonmaakwerk voor 80% van de werktijd, maar ook voor deze functie is naar het oordeel van de Raad de geschiktheid voldoende toegelicht.

5.3. Zoals het Uwv in het verweerschrift in hoger beroep heeft gesteld is gebleken dat appellant bij zijn WSW-werkgever heeft gewerkt in verschillende soorten werkzaamheden, zodat een goede omschrijving van de belasting van de WSW-functie niet te geven was. Bovendien brengt de omstandigheid dat iemand in WSW-verband werkzaam is geweest niet met zich mee dat hem geen functies in het vrije bedrijf geduid zouden mogen worden.

6. Hetgeen in 5.1 tot en met 5.3 is overwogen leidt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak bevestigd moet worden.

7. De Raad ziet geen aanleiding een proceskostenveroordeling uit te spreken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende;

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en M.C.M. van Laar als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2010.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) R.L. Venneman.

EK