Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN0916

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-07-2010
Datum publicatie
13-07-2010
Zaaknummer
09-6944 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Juiste medische grondslag. Geen reden om de maatmanvaststelling voor onjuist te houden. Geen afzonderlijke gronden ingebracht tegen het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de re-integratievisie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6944 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 november 2009, 09/1451 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juni 2010.Appellante is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.K. Dekker.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante was werkzaam als magazijnmedewerkster toen zij zich met ingang van 8 januari 1991 arbeidsongeschikt meldde als gevolg van fysieke en psychische klachten. In aansluiting op het volmaken van de wettelijk wachttijd werden perioden, waarin zij een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontving, afgewisseld met perioden zonder die uitkering. Vervolgens is aan appellante met ingang van 25 februari 1997 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze uitkering is bij besluit van 18 januari 2002 met ingang van 25 februari 2002 ongewijzigd voortgezet.

2. Appellante is in het kader van een herbeoordeling op 16 mei 2008 onderzocht door de arts P. Menco. Deze stelde in een rapport van 20 mei 2008 vast dat er geen manifeste psychopathologie bij appellante was en dat de klachten bij lichamelijk onderzoek niet konden worden geobjectiveerd. Wel moest, aldus Menco, in verband met de voorgeschiedenis, rekening worden gehouden met een verminderde psychische draagkracht en het ontstaan van spierpijnen na te zware lichamelijke belasting. Menco legde de bevindingen vast in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Bij het arbeidskundig onderzoek werd vervolgens na functieduiding geen verlies aan verdienvermogen vastgesteld. Hierna trok het Uwv bij besluit van 11 augustus 2008 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 12 oktober 2008 in. Bij afzonderlijk besluit van 11 augustus 2008 stelde het Uwv voorts de re-integratievisie vast.

3. In de bezwaarprocedure onderschreef bezwaarverzekeringsarts S.R. Hofman in een rapport van 21 januari 2009 het onderzoek en de conclusies van Menco. Diens conclusie om voor appellante ter voorkoming van decompensatie in verband met de moeilijke sociale omstandigheden een beperkte fysieke en psychische draagkracht aan te nemen, was volgens Hofman juist. Vervolgens corrigeerde de bezwaararbeidsdeskundige P.J. Schaap op 24 maart 2009 de volgorde in de functieselectie, lichtte het bezwaarpunt inzake de re-integratievisie, te weten dat vooralsnog scholing niet noodzakelijk was, toe en stelde eveneens vast dat er geen verlies aan verdienvermogen was. Hierna verklaarde het Uwv de door appellante tegen de besluiten van 11 augustus 2008 gemaakte bezwaren bij besluit van 25 maart 2009 ongegrond.

4.1. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 25 maart 2009 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond.

4.2. De rechtbank heeft de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven. Zij zag geen aanleiding het onderzoek van Menco en Hofman onzorgvuldig of de vastgestelde FML onjuist te achten. Hieraan deed volgens de rechtbank ook niet af de in beroep overgelegde informatie van de sociaal psychiatrisch verpleegkundige van de RIAGG Rijnmond van 11 mei 2009 die schreef over een aanpassingsstoornis met stoornis van emoties en gedrag, geluxeerd door verlies van uitkering bij appellante met cluster B persoonlijkheidsproblematiek.

4.3. De rechtbank zag voorts geen aanleiding het uitgangspunt van Schaap in diens rapporten van 24 maart 2009 en 3 augustus 2009 inzake de vaststelling destijds van het maatmaninkomen op fl. 13,78 voor onjuist te houden. Wat betreft de indexering (naar € 9,79 of € 9,59) liet de rechtbank de juistheid daarvan in het midden omdat beide uitkomsten leiden tot een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%.

4.4. Ten slotte zag de rechtbank, gelet op de toelichting daarop in het in 4.3 vermelde rapport van 24 maart 2009, geen aanleiding het beroep tegen het bestreden besluit gegrond te verklaren in zoverre dit beroep zag op het bezwaar van appellante tegen de re-integratievisie.

5. In hoger beroep heeft appellante, zo begrijpt de Raad, haar in eerdere fasen van de procedure aangevoerde gronden, in essentie willen doen handhaven.

6.1. Evenals de rechtbank ziet ook de Raad geen aanleiding de medische grondslag van het bestreden besluit voor onjuist te houden. Wat deze grondslag betreft stelt de Raad zich dan ook achter de in 4.2 samengevat weergegeven overwegingen van de rechtbank.

6.2. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van het Uwv desgevraagd aangegeven dat, ook al zou wat betreft de vaststelling van het maatmaninkomen destijds de visie van de voormalige gemachtigde van appellante dat daarin nog zou moeten verdisconteerd een vakantietoeslag van 8%, moeten worden gevolgd, dit niet tot een andere uitkomst wat betreft de mate van arbeidsongeschiktheid op de datum in geding zou hebben geleid. Gegeven het door het Uwv aangehouden uurloon dat appellante met de middelste van de drie geselecteerde functies op even bedoelde datum zou kunnen verdienen, namelijk € 9,92, ziet de Raad geen aanleiding dit standpunt voor onjuist te houden.

6.3. De Raad ziet ten slotte, nu appellante geen afzonderlijke gronden meer heeft ingebracht tegen het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de re-integratievisie, ook geen aanleiding om hierover in zoverre anders te oordelen dan de rechtbank.

6.4. De overwegingen 6.1 tot en met 6.3 leiden de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2010.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) D.E.P.M. Bary.

TM