Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN0722

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-07-2010
Datum publicatie
09-07-2010
Zaaknummer
08-4933 WAO + 09-4348 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Besluit van 2 februari 2007: Deudelijke medische besluitvorming. De geselecteerde functies, met gebruik waarvan appellants resterende verdiencapaciteit is bepaald, zijn voor appellant in medisch opzicht geschikt. Weigering WAO-uitkering toe te kennen na het verstrijken van de wachttijd. Besluit van 18 maart 2009: Zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek. Deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag. Afwijzing schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4933 WAO

09/4348 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 26 juni 2008, 07/145 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift en een nader verweerschrift ingediend en nadere stukken ingezonden waarop door appellant is gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2010. Voor appellant is zijn gemachtigde mr. J.T.F. van Berkel verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W. Metus.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is ten gevolge van een bedrijfsongeval uitgevallen voor zijn werk van heftruckchauffeur. Hij heeft hart-, long- en moeheidsklachten gemeld. Hem is een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In het kader van de zogenoemde eerstejaars herbeoordeling is die uitkering met ingang van 13 maart 2004 vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

1.2. Op 24 mei 2004 is appellant slachtoffer geworden van een zware mishandeling in verband waarmee hij zich heeft ziek gemeld met blaas- en psychische klachten en hem een uitkering ingevolge de Ziektewet is toegekend. Op 4 april 2006 is appellant gezien door een verzekeringsarts in het kader van een verzekeringsgeneeskundig heronderzoek, tevens beoordeling met toepassing van het aangepaste Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten. Voorts is op 31 mei 2006 een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) vastgesteld, waarin appellants medische beperkingen voor het verrichten van arbeid zijn vermeld. Vervolgens is een arbeidskundig onderzoek verricht waarbij, ter bepaling van appellants resterende verdiencapaciteit, functies zijn geselecteerd met behulp van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS). Uit dat onderzoek komt naar voren dat appellant in staat is een loon te verdienen dat hoger is dan zijn maatmanloon. Op basis van het resultaat van deze onderzoeken heeft het Uwv bij besluit van 21 september 2006 vastgesteld dat appellant op 22 mei 2006 gedurende 104 weken arbeidsongeschikt is geweest en dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid in aansluiting op die periode minder dan 15% is. Daarom wordt hem geen uitkering ingevolge de WAO toegekend. Tussen partijen is niet in geschil dat dit besluit tevens de beslissing bevat appellants bestaande WAO-uitkering per 22 mei 2006 in te trekken op de grond dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid op die datum op minder dat 15% moet worden gesteld.

1.3. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 21 september 2006. Tijdens de bezwaarprocedure is opnieuw verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht. De desbetreffende bezwaarverzekeringsarts heeft de FML bijgesteld. Een bezwaararbeidsdeskundige heeft op basis van opnieuw met behulp van het CBBS geselecteerde functies vastgesteld dat appellants verlies aan verdienvermogen op minder dan 15% moet worden gesteld. Bij besluit van 2 februari 2007 is het bezwaar van appellant ongegrond verklaard zowel met betrekking tot de arbeidsongeschiktheid ontstaan als gevolg van het incident op 24 mei 2004 als tot de intrekking van zijn bestaande WAO-uitkering.

1.4. Hangende het beroep van appellant tegen het besluit van 2 februari 2007 heeft het Uwv op 19 maart 2007 een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellant gegeven. Daarbij is opnieuw het besluit gehandhaafd appellant geen uitkering ingevolge de WAO toe te kennen wegens arbeidsongeschiktheid aan het einde van de wachttijd op

22 mei 2006. Voorts is vastgesteld dat met betrekking tot de intrekking van de bestaande WAO-uitkering van appellant in bezwaar nieuwe functies zijn geselecteerd maar dat ten onrechte geen zogenoemde uitlooptermijn in acht is genomen. Daarom is beslist appellants uitkering ingevolge de WAO pas met ingang van 3 april 2007 in te trekken.

2. De rechtbank heeft het besluit van 19 maart 2007 onder toepassing van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij haar beoordeling betrokken. Zij heeft het beroep van appellant tegen het besluit van 2 februari 2007 niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft zij overwogen dat appellant bij een beoordeling daarvan geen belang had gezien het besluit van 19 maart 2007. Het beroep tegen het besluit van 19 maart 2007 heeft zij ongegrond verklaard. Zij heeft, samengevat, geoordeeld dat de intrekking van appellants WAO-uitkering met ingang van 3 april 2007 op goede gronden berust. Voorts heeft de rechtbank een beslissing gegeven over de proceskosten.

3. Ambtshalve overweegt de Raad het volgende.

3.1. De rechtbank heeft het inleidend beroep van appellant uitsluitend gericht geacht tegen het besluit van 2 februari 2007 voor zover dat betrekking heeft op de intrekking van zijn WAO-uitkering per 22 mei 2006. Bijgevolg heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 2 februari 2007 in zijn geheel niet-ontvankelijk verklaard.

3.2. Appellant heeft echter ook beroep ingesteld tegen de in het besluit van 2 februari 2007 besloten liggende weigering hem, na het verstrijken van de wachttijd van 104 weken op 22 mei 2006, een WAO-uitkering toe te kennen. Door het beroep van appellant op te vatten als te zijn beperkt tot het beroep van appellant tegen de in het besluit van 19 maart 2007 besloten liggende intrekking van zijn WAO-uitkering met ingang van 3 april 2007 heeft de rechtbank artikel 8:69, eerste lid, van de Awb miskend. Om die reden zal de aangevallen uitspraak worden vernietigd.

4. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het besluit van 2 februari 2007 alsook dat van 19 maart 2007 beoordelen.

4.1. Tegen het besluit van 2 februari 2007, voor zover betrekking hebbend op de weigering appellant een WAO-uitkering toe te kennen na het verstrijken van de wachttijd op 22 mei 2006, heeft appellant in hoofdzaak medische gronden aangevoerd. Hij heeft betoogd dat zijn medische beperkingen voor het verrichten van arbeid door het Uwv zijn onderschat en dat hij de ten aanzien van hem geselecteerde functies niet kan vervullen omdat die zijn belastbaarheid te boven gaan.

4.1.1. De Raad kan appellant niet in dat standpunt volgen. In het kader van de hier besproken besluitvorming is appellant gezien door verzekeringsarts L.J. Niemeijer, die informatie heeft ontvangen van de behandelend neuroloog. Uit deze informatie blijkt dat er geen cardiale oorzaak is voor de wegrakingen die appellant vermeldt. Wel wordt nog onderzoek gedaan of er sprake is van epilepsie. In het verzekeringsgeneeskundig rapport van Niemeijer zijn de volgende diagnoses gesteld: schouderklachten, flauwvallen, borstklachten/coronair spasme en hypo-actieve blaas. Bij brief van 29 augustus 2006 heeft de neuroloog H.C.E. van Lambalgen de verzekeringsarts meegedeeld dat appellants aanvallen als niet-epileptisch zijn gediagnosticeerd. De bezwaarverzekeringsarts G.J. Dreijer heeft in haar rapport van 21 december 2006 een tweetal beperkingen aan de door Niemeijer opgestelde FML toegevoegd. Gezien het door appellant overgelegde psychologische rapport is hij volgens deze bezwaarverzekeringsarts aangewezen op meer gestructureerd werk waarbij het takenpakket duidelijk is. Daarnaast heeft appellant goede toiletvoorzieningen nodig omdat hij moet katheteriseren. De Raad acht deze besluitvorming zorgvuldig tot stand gekomen en volledig. Hij heeft geen aanleiding gevonden om de uitkomst ervan niet houdbaar te achten. In het bijzonder constateert de Raad dat appellant geen medische gegevens in het geding heeft gebracht die aanleiding geven tot twijfel aan de deugdelijkheid van de medische besluitvorming.

4.1.2. De Raad is voorts van oordeel dat de geselecteerde functies, met gebruik waarvan appellants resterende verdiencapaciteit is bepaald, voor appellant in medisch opzicht geschikt zijn. In het bijzonder ziet de Raad - gezien de aard van de gebruikte functies - geen grond voor de ter zitting namens appellant geuite twijfel over de aanwezigheid van een toiletvoorziening. Hierbij verwijst de Raad naar het rapport van 24 januari 2007 van de bezwaararbeidsdeskundige J. Langebeeke, die heeft vermeld dat de desbetreffende werkzaamheden moeten worden verricht in een kantooromgeving waarin toiletvoorzieningen zijn.

4.1.3. Het beroep tegen het besluit van 2 februari 2007, voor zover betrekking hebbend op de weigering appellant een WAO-uitkering toe te kennen na het verstrijken van de wachttijd op 22 mei 2006 zal ongegrond worden verklaard.

4.2. Appellant heeft verzocht het Uwv te veroordelen tot vergoeden van door hem geleden schade. Daarom heeft hij belang bij een beoordeling door de Raad van het besluit van 2 februari 2007, voor zover daarbij is beslist over de intrekking van zijn WAO-uitkering per 22 mei 2006. Gezien hetgeen daarover is beslist bij het besluit van 19 maart 2007, acht het Uwv het besluit van 2 februari 2007 onjuist. Dat besluit zal derhalve in zoverre worden vernietigd.

4.3. Over het besluit van 19 maart 2007 oordeelt de Raad als volgt.

4.3.1. Op 28 maart 2007 heeft appellant zich, terwijl hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, ziek gemeld. In verband hiermee heeft het Uwv beoordeeld of de mate van appellants arbeidsongeschiktheid en de hoogte van zijn uitkering per 3 april 2007 dienen te worden gewijzigd. Bij besluit van 18 maart 2009 is beslist appellants WAO-uitkering per 3 april 2007 ongewijzigd voort te zetten.

4.3.2. Het Uwv heeft het besluit van 18 maart 2009 ten onrechte niet aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 6:18 van de Awb, dat wijziging bracht in het besluit van 19 maart 2007, ten aanzien waarvan inmiddels hoger beroep liep. Het Uwv heeft op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 18 maart 2009 beslist in een besluit van 16 juli 2009. Dat bezwaar is daarbij ongegrond verklaard. In het besluit van 16 juli 2009 is ook beslist over het bezwaar van appellant tegen een besluit van het Uwv over appellants aanspraken ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.

4.3.3. Appellant stelt zich op het standpunt dat hem een WAO-uitkering toekomt naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Daarom komt het besluit van 18 maart 2009 niet geheel tegemoet aan zijn beroep. De Raad zal dit besluit dus ingevolge de artikelen 6:19 en 6:24 van de Awb in zijn beoordeling betrekken. Aan het besluit van 16 juli 2009, voor zover hier van belang, is betekenis komen te ontvallen voor zover daarbij het bezwaar van appellant tegen het desbetreffende besluit van 18 maart 2009 ongegrond is verklaard. In zoverre zal het besluit van 16 juli 2009 worden vernietigd.

4.3.4. Appellant heeft verzocht het Uwv te veroordelen tot het vergoeden van door hem geleden schade. Daarom heeft hij belang bij een beoordeling door de Raad van het besluit van 19 maart 2007, voor zover daarbij is beslist over de intrekking van zijn WAO-uitkering per 3 april 2007. Gezien hetgeen daarover is beslist in het besluit van 18 maart 2009, acht het Uwv het besluit van 19 maart 2007 onjuist. Dat besluit zal dus worden vernietigd.

4.4. Tegen het besluit van 19 maart 2009 heeft appellant in hoofdzaak medische gronden aangevoerd. Zijn standpunt is dat zijn medische beperkingen voor het verrichten van arbeid door het Uwv zijn onderschat. Voorts heeft hij naar voren gebracht dat hij de ten aanzien van hem geselecteerde functies niet kan vervullen omdat die zijn belastbaarheid te boven gaan.

4.4.1. De Raad kan appellant niet in dat standpunt volgen. In het kader van deze besluitvorming is appellant gezien door verzekeringsarts J. Spanjer. Deze acht appellant in staat tot het verrichten van arbeid. Hij heeft verslag gedaan van zijn onderzoek in een rapport van 12 januari 2009. Daarbij zijn de voorhanden stukken afkomstig van de behandelend sector betrokken. De verzekeringsarts stelt vast dat bij appellant sprake is van een depressieve episode, het syndroom van Munchhausen en status na amputatie van twee tenen beiderzijds. Hij constateert dat bij appellant beperkingen bestaan op het lichamelijke en mentale vlak. Appellant wordt beperkt geacht voor veel lopen, staan, traplopen en langdurig hurken. Daarnaast mag hij niet op gevaarlijke plaatsten of met gevaarlijke machines werken in verband met wegrakingen. De mentale beperkingen houden verband met appellants depressieve klachten. Appellant is aangewezen op veel structuur in een niet zeer drukke omgeving. Hij is beperkt voor intensief concentreren en conflicten. De beperkingen van appellant zijn weergegeven in een FML van 12 januari 2009. De arbeidsdeskundige H.M. Pierik heeft, ter bepaling van appellants resterende verdiencapaciteit, vervolgens via het CBBS functies geselecteerd, die appellant met zijn beperkingen moet kunnen vervullen. In zijn rapport van 26 januari 2009 is de arbeidsdeskundige tot de conclusie gekomen dat het loonverlies 23,56% bedraagt. Na heronderzoek en met inachtneming van informatie verkregen van appellants psychiater J. de Vries is bezwaarverzekeringsarts K.J. van Haeringen in een rapport van 27 mei 2009 tot de conclusie gekomen dat er geen aanleiding is appellant meer beperkt te achten in zijn arbeidsmogelijkheden dan is weergegeven in de, aan het toepasselijke Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten aangepaste, FML van 12 januari 2009. De Raad acht het aan het besluit van 18 maart 2009 ten grondslag liggend verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig tot stand gekomen en volledig. Hij heeft geen aanleiding om de uitkomst ervan niet houdbaar te achten. In het bijzonder constateert de Raad dat appellant geen medische gegevens in het geding heeft gebracht die aanleiding geven tot twijfel aan de deugdelijkheid van dit onderzoek. Dit betekent dat het besluit van 18 maart 2009 op een deugdelijke medische grondslag berust. Uitgaande daarvan en gezien de belasting van de geselecteerde functies en de door arbeidsdeskundige Pierik en de bezwaararbeidsdeskundige Z. Eggink op de zogenoemde signaleringen gegeven toelichting, is de Raad van oordeel dat ook overigens dat besluit op een deugdelijke grondslag berust.

4.4.2. Appellant heeft ter zitting aangevoerd dat het Uwv hem ten onrechte geen WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% heeft toegekend in verband met een ziekenhuisopname in de periode van 20 juni 2006 tot 4 juli 2006. De Raad gaat aan deze grond voorbij reeds omdat uit de in 4.1.1 genoemde brief van neuroloog Van Lambalgen blijkt dat appellant met ingang van 22 juni 2006 tot 4 juli 2006 in de kliniek van SEIN opgenomen is geweest. De aanvang van deze periode ligt buiten de in artikel 19, derde lid, van de WAO genoemde periode van vier weken na 22 mei 2006, zodat aan die bepaling geen aanspraak op WAO-uitkering kan worden ontleend.

4.4.3. Hetgeen in 4.4.1 en 4.4.2 is overwogen leidt ertoe dat het beroep tegen het besluit van 18 maart 2009 ongegrond zal worden verklaard.

5. Het verzoek van appellant het Uwv te veroordelen tot betaling van schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente zal worden afgewezen. Het Uwv heeft verklaard dat hetgeen vanaf 3 april 2007 wordt nabetaald zal worden verrekend met de lopende uitkering van appellant. Appellant heeft onvoldoende gegevens verschaft om vast te stellen of alsdan nog renteschade resteert die voor vergoeding in aanmerking komt.

6. Het Uwv zal worden veroordeeld tot betaling van proceskosten in hoger beroep. Die bedragen € 874,- aan kosten voor rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 2 februari 2007, voor zover betrekking hebbend op de intrekking van appellants WAO-uitkering per 22 mei 2006 gegrond;

Vernietigt het besluit van het 2 februari 2007 in zoverre;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 2 februari 2007, voor zover betrekking hebbend op de weigering appellant per 22 mei 2006 een uitkering ingevolge de WAO toe te kennen ongegrond;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 19 maart 2007 gegrond;

Vernietigt het besluit van 19 maart 2007;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 18 maart 2009 ongegrond;

Vernietigt het besluit van 16 juli 2009 voor zover daarbij het bezwaar van appellant ongegrond is verklaard tegen het besluit van 18 maart 2009 over de intrekking van appellants WAO-uitkering;

Wijst het verzoek het Uwv te veroordelen tot vergoeding van schade af;

Veroordeelt het Uwv tot betaling van proceskosten aan appellant tot een bedrag van € 874,-;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het door hem betaalde griffierecht van in totaal € 146,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en T. Hoogenboom en M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2010.

(get.) H. Bolt.

(get.) T.J. van der Torn.

RK