Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN0705

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-07-2010
Datum publicatie
08-07-2010
Zaaknummer
08-1769 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening AOW. Gezamenlijke huishouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1769 AOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 19 februari 2008, 07/4779 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb)

Datum uitspraak: 6 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.G.M. Delahaije, advocaat te Breda, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2010. Voor appellante is verschenen mr. Delahaije. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Marijnissen, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) naar de norm voor een ongehuwde. Nadat uit onderzoek was gebleken dat op het adres van appellante meer personen stonden ingeschreven, is een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van het aan appellante verleende pensioen. In dat kader heeft appellante op 22 maart 2007 een formulier gezamenlijk huishouden ingevuld, waarop zij heeft aangegeven dat haar kleinzoon [naam kleinzoon] (hierna: [kleinzoon]) vanaf 15 januari 2007 bij haar inwoont omdat zij aan beginnende dementie lijdt, [kleinzoon] niet bijdraagt in de kosten van het huishouden, [kleinzoon] de boodschappen doet, kookt, klusjes doet in en rond het huis, haar verzorgt en dat zij samen eten. Bij besluit van 27 juni 2007 heeft de Svb het pensioen van appellante met ingang van 1 februari 2007 herzien naar de norm voor een gehuwde op de grond dat zij met ingang van die datum een gezamenlijke huishouding is gaan voeren met [kleinzoon].

1.2. Hangende de bezwaarfase heeft appellante op 12 juli 2007 een vragenformulier leefsituatie ingevuld, waarop zij onder meer heeft aangegeven dat zij en [kleinzoon] samen de woning schoonmaken en om beurten de afwas doen, de woonkamer gezamenlijk gebruiken en in dezelfde ruimte bezoek ontvangen, soms samen de maaltijden nuttigen en een uitstapje maken. Bij besluit van 9 oktober 2007 heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 27 juni 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 9 oktober 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 1, derde lid, van de AOW, voor zover van belang, wordt als gehuwd of als echtgenoot aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad. Op grond van het vierde lid van dit artikel is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.2. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn de omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.

4.3. Het eerste criterium waaraan moet zijn voldaan is dat de betrokkenen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben. De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft moet naar vaste rechtspraak worden beantwoord aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden.

4.4. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank, en de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd, dat appellante en [kleinzoon] hun hoofdverblijf hadden in de woning van appellante aan de [adres] te [plaatsnaam]. Naast het feit dat beiden op dit adres stonden ingeschreven, kent de Raad daarbij doorslaggevende betekenis toe aan de mededeling van appellante op het formulier van 22 maart 2007 dat [kleinzoon] bij haar inwoont. Dat appellante en [kleinzoon] feitelijk hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning vindt bovendien steun in de op 28 juni 2007 telefonisch gedane mededeling van de zoon van appellante dat [kleinzoon] bij appellante is gaan wonen om haar te verzorgen en in de op 26 juli 2007 telefonisch gedane mededeling van de dochter van appellante dat haar zoon bij appellante verblijft omdat deze dementerende is. Aan de eerst gedurende de beroepsprocedure gegeven verklaring van [kleinzoon] dat hij maar drie nachten per week bij appellante slaapt, gaat de Raad, gelet op wat hiervoor is overwogen, voorbij. Daarbij komt dat niet duidelijk is geworden waar [kleinzoon] de overige nachten van de week zou doorbrengen.

4.5. Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan is dat van wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling die verder gaat dan het uitsluitend delen van woonlasten en hiermee samenhangende kosten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in een geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het verzorgingscriterium in een concreet geval is voldaan.

4.6. Naar het oordeel van de Raad komt uit de door appellante ingevulde formulieren van 22 maart 2007 en 12 juli 2007 in voldoende mate naar voren dat er ten tijde in geding sprake was van wederzijdse zorg. De Raad onderschrijft ook in dit verband het oordeel van de rechtbank, en de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd, en maakt deze overwegingen tot de zijne.

4.7. Hetgeen onder 4.3 tot en met 4.6 overwogene leidt derhalve tot de conclusie dat appellante en [kleinzoon] met ingang van 15 januari 2007 een gezamenlijke huishouding voeren als bedoeld in artikel 1, vierde lid, van de AOW. Dit brengt mee dat de Svb gehouden was het ouderdomspensioen van appellante met toepassing van artikel 17, eerste lid, van de AOW met ingang van 1 februari 2007 te herzien.

4.8. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen als bedoeld in artikel 17a van de AOW, zodat de SVB niet bevoegd was van herziening af te zien.

4.9. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter en J.N.A. Bootsma en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2010.

(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.

(get.) R. Scheffer.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

AV