Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN0703

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-07-2010
Datum publicatie
08-07-2010
Zaaknummer
08-2510 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering bijstand. Geen dringende redenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2510 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 april 2008, 07/1847 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 6 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.M.E. van der Haar, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 mei 2010. Namens appellante is verschenen mr. Van der Haar. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. A.A. Brouwer, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving samen met haar toenmalige echtgenoot [I.], bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.

1.2. Bij besluit van 12 april 2007, zoals gewijzigd bij besluit van 15 mei 2007, heeft het College het bezwaar van appellante tegen twee besluiten van 25 januari 2007 ongegrond verklaard. Bij dat gewijzigde besluit op bezwaar, voor zover hier van belang, heeft het College de over de periode van 1 september 2004 tot en met 31 oktober 2004 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 3.175,57 en de over de periode van 1 februari 2006 tot en met 30 april 2006 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 2.082,23 van appellante teruggevorderd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 12 april 2007, zoals gewijzigd bij besluit van 15 mei 2007, ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Appellante heeft aangevoerd dat het College bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot terugvordering ook rekening had moeten houden met het feit dat zij tijdens haar huwelijk te maken heeft gehad met onderdrukking en geweld door haar echtgenoot en dat zij ook daarna door hem en zijn familie is bedreigd. Daarnaast stelt appellante dat zij destijds niet op de hoogte was van de activiteiten van haar echtgenoot en dat zij niet heeft geprofiteerd van zijn inkomsten uit arbeid. Voorts heeft appellante aangevoerd dat de invordering voor haar gevoelens van verdriet en frustratie met zich brengt omdat zij daardoor elke maand wordt herinnerd aan haar mislukte huwelijk.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat tussen partijen uitsluitend in geschil is of het College in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 september 2004 tot en met 31 oktober 2004 en van 1 februari 2006 tot en met 30 april 2006 van appellante terug te vorderen.

4.2. Het College voert het beleid dat van terugvordering kan worden afgezien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Volgens dit beleid is van dringende redenen sprake als de terugvordering leidt tot onaanvaardbare materiële of immateriële gevolgen voor de belanghebbende.

4.3. De Raad ziet in hetgeen appellante heeft aangevoerd, weergegeven onder 3, geen dringende redenen op grond waarvan het College van terugvordering had moeten afzien. De aangevoerde omstandigheden zien niet zozeer op de gevolgen van de terugvordering voor appellante, maar betreffen voornamelijk de situatie van appellante tijdens haar huwelijk met [I.]. Hoewel de Raad kan begrijpen dat, zoals aangevoerd, invordering van deze kosten van bijstand bij appellante gevoelens van frustratie en verdriet kunnen oproepen, is daarmee nog niet gegeven dat de terugvordering ernstige gevolgen zal hebben voor de psychische gesteldheid van appellante. Daarvoor heeft appellante geen ondersteuning, bijvoorbeeld in de vorm van een medische verklaring, aangedragen. Naar het oordeel van de Raad heeft het College in overeenstemming met zijn beleid inzake terugvordering gehandeld. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht van het beleid had moeten afwijken.

4.4. Uit 4.3 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt zodat gevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2010.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) M. Mostert.

AV