Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN0667

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-07-2010
Datum publicatie
08-07-2010
Zaaknummer
08-7236 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Geen sprake van dringende redenen of bijzondere omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/7236 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 19 november 2008, 07/5198 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Delft (hierna: College)

Datum uitspraak: 6 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.M. van Kuijeren, advocaat te Delft, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Kuijeren. Het College heeft zich, zoals tevoren bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat met het volgende.

1.1. Appellant ontvangt vanaf 27 augustus 1990 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Bij besluit van 26 april 2006 heeft het College de bijstand van appellant over de periode van 1 november 2000 tot en met 31 oktober 2005 ingetrokken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 84.060,24 van hem teruggevorderd. Het College heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat uit informatie van de voormalige Rijksdienst voor het Wegverkeer (hierna: RDW) is gebleken dat in deze periode 55 kentekens op naam van appellant geregistreerd stonden, waarvan er slechts twee bij het College bekend waren, dat appellant hieromtrent geen afdoende informatie heeft verstrekt en dat het recht op bijstand over de genoemde periode daardoor niet is vast te stellen.

1.3. Bij besluit van 10 juli 2006 heeft het College aan appellant wegens schending van de inlichtingenverplichting een maatregel opgelegd van 10% van het benadelingsbedrag, in dit geval tot het maximum van € 2.269,--.

1.4. Bij besluit van 12 juli 2007, zoals herzien bij besluit van 16 juni 2008, heeft het College de bezwaren tegen de besluiten van 26 april 2006 en 10 juli 2006 gedeeltelijk gegrond verklaard, in die zin dat de intrekking en terugvordering zijn beperkt tot de maanden waarin transacties hebben plaatsgevonden, te weten de maanden november 2000, februari, april, juni, september tot en met december 2001, februari, mei, juni, september, oktober en december 2002, februari, mei, juni, september, oktober en december 2003, februari tot en met juni, september tot en met december 2004, februari, maart, mei, augustus tot en met oktober 2005 (hierna: de transactiemaanden). De hoogte van de terugvordering is vastgesteld op een bedrag van € 49.020,10 en de maatregel is gehandhaafd op een bedrag van € 2.269,--.

2. Bij de aangevallen uitspraak - voor zover van belang - heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 16 juni 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd, voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 16 juni 2008 ongegrond is verklaard.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De intrekking

4.1. Niet in geschil is dat appellant in de transactiemaanden de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) en artikel 17, eerste lid, van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden.

4.2. Naar vaste rechtspraak van de Raad levert schending van de inlichtingenverplichting een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene feiten te stellen en zonodig te bewijzen dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan over de betreffende periode recht op (aanvullende) bijstand bestond. Naar het oordeel van de Raad is appellant daarin niet geslaagd. De enkele stelling van appellant dat tegenover zijn activiteiten geen reële beloning stond, omdat het veelal ging om vriendendiensten en aankoop van (oude) auto’s voor familieleden in Marokko, acht de Raad daarvoor onvoldoende. Zoals de Raad vaker heeft uitgesproken (zie onder meer de uitspraak van 30 juni 2008, LJN BD6241) wordt onder de omstandigheden zoals die zich bij appellant voordoen, aannemelijk geacht dat er inkomsten in verband met de overdracht van auto’s zijn ontvangen of redelijkerwijs had kunnen worden verworven in de maanden waarin de registraties bij de RDW zijn beëindigd en de transacties zijn verricht. Aangezien controleerbare gegevens over bedoelde transacties ontbreken, heeft het College terecht geconcludeerd dat het recht van appellant op (aanvullende) bijstand in de transactiemaanden niet kan worden vastgesteld.

4.3. Het College was derhalve op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de bijstand over de transactiemaanden in te trekken. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

De terugvordering

4.4. Uit hetgeen in 4.3 is overwogen volgt dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het College bevoegd was tot terugvordering van de in de transactiemaanden gemaakte kosten van bijstand over te gaan. Het College voert - voor zover in dit geding van belang - het beleid dat van deze bevoegdheid steeds gebruik wordt gemaakt indien de bijstand als gevolg van schending van de inlichtingenverplichting ten onrechte of tot een te hoog bedrag wordt verleend, tenzij er sprake is van dringende redenen of een noodzaak om mee te werken aan een schuldregeling. Het College heeft gehandeld overeenkomstig zijn beleid inzake terugvordering. In hetgeen door appellant is aangevoerd met betrekking tot zijn gezins- en financiële situatie, alsmede zijn analfabetisme ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat sprake is van dringende redenen in de zin van het beleid of van bijzondere omstandigheden die aanleiding hadden moeten geven om met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht van het beleid af te wijken.

De maatregel

4.5. Ten aanzien van de maatregel zijn geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd, zodat het oordeel van de rechtbank hierover geen nadere bespreking behoeft.

4.6. Gelet op het voorgaande komt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter en J.N.A. Bootsma en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2010.

(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.

(get.) R. Scheffer.

AV