Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN0660

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-07-2010
Datum publicatie
08-07-2010
Zaaknummer
08-2025 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de in de verslagen genoemde feiten en gedragingen niet kunnen worden gekwalificeerd als het niet of niet voldoende nakomen van een uit artikel 18, tweede lid, van de WWB voortvloeiende verplichting. Vernietiging besluit. Herroept het besluit van 28 maart 2007.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2025 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 22 februari 2008, 07/814 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

Datum uitspraak: 6 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. U. van Ophoven, advocaat te Leek, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 mei 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.O. Bakker, werkzaam bij de gemeente Groningen. Betrokkene is, met bericht vooraf, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Betrokkene ontvangt sinds 1 maart 2006 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Betrokkene heeft zich begin maart 2007 tot de Sociale Dienst van de gemeente Groningen gewend voor het indienen van een aanvraag om bijzondere bijstand voor de huur van een kamer. Uit een op 16 maart 2007 door consulente [S.] opgesteld verslag ‘Melding agressie’ komt naar voren dat betrokkene verschillende malen met haar telefonisch contact heeft opgenomen en dat het laatste gesprek door [S.] is afgebroken nadat betrokkene haar had uitgescholden. Uit het verslag van [S.] en uit een eveneens op 16 maart 2007 door een medewerker van de beveiliging J. [A.] (hierna: [A.]) opgesteld verslag ‘Melding agressie’ komt naar voren dat betrokkene aan de balie verschillende verbale dreigementen heeft geuit jegens [S.], waaronder het dreigement dat hij [S.] zal opwachten en een bloedbad zal veroorzaken. Uit het verslag van [A.] kan voorts worden afgeleid dat betrokkene [A.] dreigde met een fietsketting te slaan en dat betrokkene [A.] met zijn vuist trachtte te slaan onder de mededeling dat hij [A.], zijn vrouw en zijn kinderen dood zal maken.

1.3. Bij besluit van 28 maart 2007 heeft appellant, op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB en artikel 18 van de Maatregelenverordening WWB, de bijstand van betrokkene met ingang van 16 maart 2007 voor de duur van een maand verlaagd met 100%. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 13 juli 2007 ongegrond verklaard. Appellant heeft daartoe overwogen dat betrokkene zich op 16 maart 2007 zeer ernstig heeft misdragen en een ambtenaar van de dienst SOZAWE heeft geïntimideerd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 13 juli 2007 ingestelde beroep - met beslissingen inzake proceskosten en griffierecht - gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 28 maart 2007 herroepen.

3. In hoger beroep heeft appellant zich gemotiveerd tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Voor een weergave van de toepasselijke bepalingen van de WWB verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

4.2. De Raad stelt vast dat betrokkene zijn gedragingen en verbale uitingen op 16 maart 2007, zoals genoemd in de door [S.] en [A.] opgestelde verslagen van diezelfde datum, niet heeft betwist.

4.3. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de in de verslagen van [S.] en [A.] genoemde feiten en gedragingen niet kunnen worden gekwalificeerd als het niet of niet voldoende nakomen van een uit artikel 18, tweede lid, van de WWB voortvloeiende verplichting. Zoals de Raad al meermalen heeft overwogen, zie onder meer zijn uitspraken van 29 juli 2008 (LJN BD7970) en 30 juni 2009 (LJN BJ1811), is aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 18, tweede lid, van de WWB voldaan indien sprake is van het niet of onvoldoende nakomen van één of meer van de in dat artikellid bedoelde verplichtingen met als verzwarende omstandigheid dat de betrokkene zich zeer ernstig heeft misdragen. Onder dat laatste moet worden verstaan een aan de belanghebbende toe te rekenen gedraging jegens het College en bij de uitvoering van de WWB betrokken personen die in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel moet worden beschouwd. Een wegens dergelijk gedrag opgelegde verlaging van de bijstand dient te worden aangemerkt als punitieve (bestaffende) sanctie en op het College berust de bewijslast om voldoende aannemelijk te maken dat van agressie in de zin van genoemde bepaling sprake is geweest (zie de uitspraak van 31 december 2007,

LJN BC1811).

4.4. Aangezien ten tijde van de onder 1.2 bedoelde incidenten geen sprake was van het niet nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de WWB was voor het toepassen van een verlaging van de bijstand geen grond aanwezig. Uit de onder 4.3 aangeduide uitspraken volgt, dat een zeer ernstige misdraging in de zin van artikel 18, tweede lid, van de WWB op zichzelf niet tot een verlaging van de bijstand kan leiden, doch slechts in samenhang met en in het kader van het niet nakomen van een uit de WWB voortvloeiende verplichting. Dit betekent dat de vraag of op 16 maart 2007 sprake was van het zich zeer ernstig misdragen jegens een bij de uitvoering van de WWB betrokken medewerker - hetgeen op zichzelf enkel als verzwarende omstandigheid tot een hogere of langduriger verlaging van de bijstand zou kunnen leiden - hier verder buiten bespreking kan blijven.

4.5. In hetgeen appellant naar voren heeft gebracht, ziet de Raad geen aanleiding thans anders te oordelen dan in de hiervoor onder 4.3 genoemde uitspraken.

4.6. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep geen doel treft. De aangevallen uitspraak dient daarom te worden bevestigd.

4.7. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,-- wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 322,--;

Bepaalt dat van het College een griffierecht wordt geheven van € 433,--.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en W.F. Claessens en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2010.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) R. Scheffer.

AV