Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN0639

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-06-2010
Datum publicatie
08-07-2010
Zaaknummer
09-1040 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand. Offerte sanering van tuin. De hier aan de orde zijnde kosten vallen onder de kosten van het (reguliere) tuinonderhoud, zodat deze kosten - behoudens bijzondere omstandigheden - uit het reguliere inkomen van appellant dienen te worden voldaan. Geen sprake van gevaar voor de gezondheid van appellant. Appellant is niet plotseling geconfronteerd met (hoge) kosten van tuinonderhoud.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1040 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 januari 2009, 07/2950 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: het College)

Datum uitspraak: 29 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.J.G. Tijhuis, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 mei 2010. Appellant is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. J.M. Boegborn, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad in de eerste plaats naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Op 26 oktober 2006 heeft appellant bij het College een verzoek om bijzondere bijstand ingediend voor - voor zover in dit geding van belang - de kosten van sanering van zijn tuin. Bij de aanvraag is een offerte gevoegd, waarin de te verrichten werkzaamheden zijn begroot op een bedrag van € 7.155,25.

1.2. Bij besluit van 10 januari 2007 heeft het College deze aanvraag afgewezen.

1.3. Bij besluit van 11 oktober 2007 heeft het College de bezwaren tegen het besluit van 10 januari 2007 ongegrond verklaard. Aan dit besluit is, onder verwijzing naar artikel 35, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB), ten grondslag gelegd dat de kosten van tuinaanleg en tuinonderhoud behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, welke kosten in beginsel uit het reguliere inkomen bekostigd dienen te worden. Het College heeft appellant niet tegengeworpen dat hij destijds een woning met tuin heeft betrokken, maar werpt appellant wel tegen dat er geen regelmatig onderhoud aan de tuin is gepleegd. Voorts is het College uit de door appellant met betrekking tot zijn benauwdheidsklachten overgelegde medische verklaring niet gebleken dat er een causaal verband is tussen de toestand van de tuin en deze klachten. Het College is tot de conclusie gekomen dat in dit geval geen sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank onder meer het beroep tegen het besluit van 11 oktober 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd voor zover daarbij het beroep ongegrond is verklaard.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In artikel 35, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het College niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn.

4.2. De rechtbank heeft verwezen naar de uitspraak van de Raad van 21 juni 2005,

LJN AT8533. In die uitspraak heeft de Raad geoordeeld dat de kosten van tuinonderhoud behoren tot de algemeen voorkomende noodzakelijke kosten van het bestaan, die behoudens bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 6, aanhef en onder b, van de Algemene bijstandswet (Abw) in verbinding met artikel 39, eerste lid, van de Abw, uit het reguliere inkomen dienen te worden voldaan. Kiest men ervoor zijn tuin niet regelmatig te (laten) onderhouden, zodat op den duur sprake is van achterstallig onderhoud met eventuele meerkosten, dan geldt in beginsel hetzelfde, zij het dat in dat geval reservering vooraf of gespreide betaling achteraf is aangewezen. De Raad ziet geen aanleiding hierover anders te oordelen binnen het kader van artikel 35, eerste lid, van de WWB.

4.3. De Raad is evenals het College en de rechtbank van oordeel dat, mede gelet op de offerte voor de kosten van de sanering, de hier aan de orde zijnde kosten vallen onder de kosten van het (reguliere) tuinonderhoud, zodat deze kosten - behoudens bijzondere omstandigheden - uit het reguliere inkomen van appellant dienen te worden voldaan.

4.4. Uit de gedingstukken, waaronder foto’s van de tuin, en de bevindingen tijdens het op 14 juli 2008 door de rechtbank ingestelde onderzoek ter plaatse, blijkt genoegzaam dat de tuin van appellant ten tijde in geding aan een grondige onderhoudsbeurt toe was en dat daaraan ook kosten waren verbonden. Zoals de Raad in de hiervoor genoemde uitspraak heeft overwogen, betekent dat op zichzelf nog niet dat voor die kosten zonder meer bijzondere bijstand dient te worden verleend.

4.5. Gelet op de voorhanden zijnde gegevens onderschrijft de Raad het standpunt van de rechtbank en het College dat niet is gebleken dat de tuin van appellant dusdanig was overwoekerd met planten, onkruid en afval dat de gezondheid van appellant daarmee in gevaar kwam. Ook de Raad acht de door appellant in het geding gebrachte medische gegevens daarvoor onvoldoende. De Raad kan zich in grote lijnen vinden in de overwegingen van de rechtbank dienaangaande, waarnaar kortheidshalve wordt verwezen.

4.6. Appellant heeft naar voren gebracht dat hij niet in staat is (geweest) de tuin zelf te onderhouden en dat de tuin aanvankelijk vanwege door de Stichting Verzorgingshuis De Gooyer werd onderhouden. De Raad overweegt daaromtrent dat niet is gebleken dat appellant plotseling werd geconfronteerd met (hoge) kosten van tuinonderhoud. In dat verband ziet de Raad onvoldoende grondslag voor het standpunt dat appellant, nadat hem was gebleken dat de hiervoor genoemde stichting geen onderhoud meer verrichtte, niet in staat is geweest om er tijdig in te voorzien dat zijn tuin tegen een redelijke vergoeding door een derde zou worden onderhouden.

4.7. De Raad komt tot de conclusie dat in dit geval geen sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB. Dit betekent dat het College de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand terecht op deze grond heeft gehandhaafd.

4.8. Het hoger beroep van appellant slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak - voor zover deze is aangevochten - dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2010.

(get.) C. van Viegen.

(get.) J.M. Tason Avila.

AV