Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN0626

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-07-2010
Datum publicatie
08-07-2010
Zaaknummer
08-4410 WWB + 08-4435 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Schending van de inlichtingen- en medewerkingsverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4410 WWB

08/4435 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], en [appellante], beiden wonende te [woonplaats] (hierna: appellanten),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 11 juni 2008, 07/8873 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 6 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. S. de Kluiver, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 mei 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Kluiver. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A. Bogaards, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten ontvingen vanaf 22 december 1998 bijstand laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Uit het huwelijk van appellanten zijn kinderen geboren waarvan er drie ten tijde hier in geding nog thuis woonden. De bijstand is - met onderbrekingen - en laatstelijk met ingang van 8 juli 2005 naar de norm voor gehuwden verleend.

1.2. In het kader van een rechtmatigheidsonderzoek zijn appellanten driemaal opgeroepen voor een gesprek en heeft op 17 juli 2007 een aangekondigd huisbezoek plaatsgevonden. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 14 juni 2007 en van 18 juli 2007. Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten heeft het College bij besluit van 19 juli 2007 de bijstand met ingang van 1 juli 2007 beëindigd (lees: ingetrokken) op de grond dat appellante niet heeft voldaan aan de inlichtingen- en medewerkingsverplichting door niet op oproepen te verschijnen en niet bij het huisbezoek aanwezig te zijn en dat als gevolg daarvan het recht op (voortzetting van de) gezinsbijstand niet kan worden vastgesteld.

1.3. Bij besluit van 8 oktober 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 19 juli 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 8 oktober 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat het College de intrekking van bijstand niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad - waaronder de uitspraak van 18 juli 2006 (LJN AY5142) - bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Het voorgaande betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 1 juli 2007 tot en met 19 juli 2007.

4.2. Op grond van de gedingstukken is de Raad gebleken dat appellante aan de oproepen voor een gesprek op het wijkkantoor van de dienst SZW achtereenvolgens op 29 maart 2007, 11 april 2007 en 22 mei 2007 geen gehoor heeft gegeven, dat appellant alleen is verschenen met de mededeling dat appellante weigerde mee te komen. Zo ook op de laatste afspraak, waar appellante zou komen tezamen met een dochter die voor haar als tolk zou optreden. Het huwelijk verkeert al langere tijd in een crisis en de relationele problemen worden door appellant aangewezen als de belangrijkste reden waarom appellante niet haar medewerking gaf. Als na de laatste afspraak vervolgens blijkt dat twee volwassen dochters zich op het adres van het ouderlijk huis hebben ingeschreven is besloten een huisbezoek af te leggen om duidelijkheid over de woon- en leefsituatie van appellanten te verkrijgen. In de brief van 12 juli 2007 met de aankondiging van een huisbezoek op 17 juli 2007 om ongeveer 14.30 uur, is uitdrukkelijk aangegeven dat appellanten beiden aanwezig dienen te zijn. Naar appellant ter zitting heeft bevestigd was appellante hiervan op de hoogte, maar op de dag van het huisbezoek was zij om 12.30 uur reeds vertrokken. De grief dat het tijdstip niet gunstig was treft geen doel nu in de brief van 12 juli 2007 is verzocht in dat geval te bellen om een andere afspraak te maken. Ook de grief dat het appellante in verband met haar vergeetachtigheid niet aangerekend kan worden slaagt niet. De Raad is uit de voorhanden medische gegevens van de huisarts niet gebleken dat hiervan bij appellante sprake zou zijn en voor het overige is het bij een stelling gebleven zonder dat deze verder is onderbouwd.

4.3. Op grond van het voorgaande is de Raad van oordeel dat sprake is van schending van de inlichtingen- en medewerkingsverplichting van artikel 17, eerste en tweede lid, van de WWB. Deze schending levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand, omdat als gevolg daarvan (de voortzetting van) de bijstand naar de gehuwdennorm niet is vast te stellen. Derhalve was het College bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand van appellanten met ingang van 1 juli 2007 in te trekken. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Daarbij tekent de Raad aan dat appellant uitdrukkelijk kenbaar heeft gemaakt dat hij uitsluitend in aanmerking wilde komen voor bijstand naar de norm voor gehuwden en geen bijstand wil naar de norm voor een alleenstaande ouder.

4.4. De Raad komt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2010.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) M. Mostert.

AV