Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN0620

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-07-2010
Datum publicatie
08-07-2010
Zaaknummer
09-3582 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op ziekengeld. De verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts hebben in het kader van de beoordeling van appellants aanspraken op een uitkering ingevolge de ZW op inzichtelijke wijze onderbouwd dat appellant geschikt wordt geacht voor zijn arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3582 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 25 mei 2009, 08/1983 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. H. Steenbergen, advocaat te Roosendaal, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts P.M.I.E. van Thillo-Nadels van 24 augustus 2009 overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 mei 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Steenbergen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, die laatstelijk werkzaam is geweest als inpakker voor 40 uur per week, heeft zich op 2 maart 2007 ziek gemeld wegens rugklachten met uitstraling naar beide benen. Nadat het dienstverband op 19 december 2007 is geëindigd, is aan appellant met ingang van 20 december 2007 een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend.

1.2. Naar aanleiding van de resultaten van het onderzoek door de verzekeringsarts P.H. de Haan op het spreekuur van 15 februari 2008 heeft het Uwv bij besluit van 15 februari 2008 aan appellant meegedeeld dat hem met ingang van 16 februari 2008 geen ziekengeld meer wordt uitgekeerd, omdat hij op en na deze datum niet meer wegens ziekte of gebreken ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid.

1.3. Bij besluit van 19 maart 2008 (hierna: bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 15 februari 2008, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts Van Thillo-Nadels van 18 maart 2008, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat zij op grond van de beschikbare gegevens van oordeel is dat het onderzoek door de verzekeringsartsen voldoende zorgvuldig is geweest en dat zij bij appellant per datum in geding (16 februari 2008) niet te geringe medische beperkingen hebben vastgesteld. De rechtbank heeft het bestreden besluit evenwel vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat onvoldoende gemotiveerd is dat appellant, gelet op de vastgestelde medische beperkingen, in staat was het eigen werk te verrichten. De rechtbank heeft echter bepaald dat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven, omdat de bezwaararbeidsdeskundige in beroep alsnog onderzoek heeft verricht naar het eigen werk van appellant en de belastbaarheid, waarbij is geconcludeerd dat dit werk voor appellant geschikt is, omdat het zeer licht inpakwerk betreft waarbij alle vrijheid is om te vertreden.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het onderzoek door het Uwv niet zorgvuldig is geweest, omdat de beoordelingen van de verschillende artsen niet eenduidig en consistent zijn. In dat verband heeft hij verwezen naar de door hem overgelegde rapportages van de Reaned-arts R.T. Hupkens, waaruit blijkt dat hij vrij ernstige rug- en beenklachten heeft waardoor dynamische handelingen en statische belasting beperkt zijn en dat hij eveneens geen of erg moeilijk huishoudelijke taken kan uitvoeren waarbij hij moet bukken, bovenhands werken, tillen en dergelijke. Ook heeft hij verwezen naar de WIA-analyse van 23 april 2007 door de bedrijfsarts Thomassen, die heeft geconcludeerd dat er op dat moment geen arbeidsmogelijkheden waren omdat appellant te beperkt kan zitten om structureel werk te kunnen verrichten.

4. De Raad, oordelend over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

4.1. Ingevolge artikel 19 van de ZW bestaat recht op ziekengeld indien de verzekerde wegens ziekte of gebrek ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid. Onder ‘zijn arbeid’ wordt verstaan het laatstelijk voor de aanvraag van de arbeidsongeschiktheid feitelijk verrichte werk. Nu appellant laatstelijk werkzaam is geweest als inpakker en hij zich vanuit die situatie heeft ziek gemeld, is deze functie terecht als maatstaf arbeid aangemerkt.

4.2. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts in het kader van de beoordeling van appellants aanspraken op een uitkering ingevolge de ZW op inzichtelijke wijze hebben onderbouwd dat appellant geschikt wordt geacht voor zijn arbeid. Op basis van dossierstudie, verkregen inlichtingen tijdens de hoorzitting, eigen onderzoek en met informatie van de behandelend sector heeft de bezwaarverzekeringsarts in haar rapportage aangegeven dat appellant geschikt is te achten voor werk dat niet al te rugbelastend is, dat wil zeggen niet frequent of langdurig buigen meer dan 50 graden, geen te grote gewichten (meer dan 15 kg) hanteren en enige afwisseling in zitten/staan en/of lopen, waarbij tevens langdurig of zeer frequent ver reiken of kracht zetten met de linkerarm vermeden wordt. Uit de in beroep door de bezwaararbeidsdeskundige opgestelde rapportage blijkt dat het eigen werk zeer licht inpakwerk betreft, waarbij alle vrijheid is om te vertreden. Met betrekking tot de indicatiestelling voor huishoudelijke hulp heeft de bezwaarverzekeringsarts aangegeven dat het medisch onderzoek niet ziet op de datum in geding en er evenmin een relatie is met een beoordeling van het recht op een ZW-uitkering. Naar het oordeel van de Raad heeft de bezwaarverzekeringsarts in haar rapportage voldoende overtuigend en gemotiveerd aangegeven om welke reden(en) er geen aanleiding is tot het wijzigen van het eerder ingenomen standpunt dat appellant vanaf 16 februari 2008 in staat wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid.

4.3. In hoger beroep heeft de bezwaarverzekeringsarts in haar rapportage van 24 augustus 2009, in reactie op de door appellant aangevoerde gronden, aangegeven dat de overgelegde verslagen geen medische rapportages bevatten, maar alleen samenvattingen van conclusies en een advies en dat deze verslagen evenmin betrekking hebben op de datum in geding. De overgelegde stukken met betrekking tot de beoordeling van het recht op huishoudelijke hulp zien evenmin op de datum in geding en kunnen geen betekenis hebben voor de beoordeling van de aanspraken van appellant op een ZW-uitkering. Bovendien wordt daarin op geen enkele wijze onderbouwd welke beperkingen appellant zou hebben voor het verrichten van arbeid. De door appellant overgelegde probleemanalyse van 23 april 2007 van de bedrijfsarts in het kader van de Wet WIA bevat geen medische bevindingen waaruit blijkt dat appellant (op dat moment) teveel beperkt was ten aanzien van zitten, terwijl daarin wel was aangegeven dat in de toekomst werkhervatting in het eigen werk te verwachten was. Gelet op deze rapportage van de bezwaarverzekeringsarts ziet de Raad in de door appellant in hoger beroep overgelegde gegevens geen aanleiding om het standpunt van het Uwv dat appellant per 16 februari 2008 geschikt is voor zijn arbeid niet te volgen.

4.4. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.3 volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2010.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) R.L. Venneman.

JL