Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN0618

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-07-2010
Datum publicatie
08-07-2010
Zaaknummer
09-2589 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op ziekengeld ingevolge de ZW. Voldoende zorgvuldig medisch onderzoek bezwaarverzekeringsarts. Ten aanzien van de gestelde gevolgen van het medicijnengebruik van appellant stelt de Raad vast dat het gebruik van deze medicatie bij de bezwaarverzekeringsarts bekend was en deze geen aanleiding heeft gezien in verband daarmee specifieke beperkingen te formuleren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2589 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 27 maart 2009, 08/1106 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.T.W. van Dijk, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en bij schrijven van 16 december 2009 desgevraagd nadere informatie verstrekt.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 mei 2010. Appellant is verschenen en bijgestaan door mr. Van Dijk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.E.M. Kuppens.

II. OVERWEGINGEN

1.1. In verband met zijn arbeidsongeschiktheid als gevolg van hartklachten ontvangt appellant sedert 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

1.2. Appellant heeft zich op 1 februari 2007, vanuit een situatie dat hij een gedeeltelijke uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving en een uitkering ingevolge de WAO, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, ziek gemeld vanwege toegenomen psychische klachten.

1.3. Bij besluit van 12 juli 2007 heeft het Uwv beslist dat appellant met ingang van 12 juli 2007 geen recht meer heeft op ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW).

Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv - in navolging van de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal neergelegd in diens rapportage van 29 februari 2008 - bij besluit van 3 maart 2008 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellant de in eerdere fasen van de procedure aangevoerde gronden en argumenten gehandhaafd.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Ingevolge het bepaalde in artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO. Inmiddels heeft de Raad al meerdere malen uitgesproken dat van ongeschiktheid in de zin van de ZW geen sprake is indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die zijn geselecteerd bij de schatting in het kader van de WAO.

4.3. In dit geval is van belang dat appellant in het kader van de hiervoor genoemde hersteldmelding op 12 juli 2007 nog geschikt was te achten voor de functie van productiemedewerker industrie. Voor de onderhavige beoordeling dient voor de maatstaf arbeid dan ook uitgegaan te worden van deze functie.

4.4. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts Admiraal voldoende zorgvuldig is geweest. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de bezwaarverzekeringsarts appellant heeft onderzocht en kennis heeft genomen van het dossier, waaronder informatie van de behandelend sector. De bezwaarverzekeringsarts kon bij onderzoek van de psyche geen psychopathologie vaststellen en het lichamelijk onderzoek liet geen evidente afwijkingen zien. De functie van productiemedewerker industrie acht de bezwaarverzekeringsarts onveranderd passend voor appellant.

4.5. Ten aanzien van de in bezwaar overgelegde informatie van de psychotherapeut R. Aallali en de arts M. van Eijk van 16 oktober 2007, onderschrijft de Raad het in beroep gegeven commentaar van bezwaarverzekeringsarts van 2 mei 2008. Nu in hoger beroep geen nadere medische informatie is overgelegd, ziet de Raad onvoldoende aanknopingspunten om te twijfelen aan het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts.

4.6. Met betrekking tot appellants stelling dat geen of onvoldoende rekening is gehouden met het medicijnengebruik overweegt de Raad dat uit de rapportages van zowel de verzekeringsarts als de bezwaarverzekeringsarts genoegzaam blijkt dat beide artsen het medicijnengebruik van appellant bij de beoordeling hebben meegewogen. De Raad heeft geen aanknopingspunt te oordelen dat dit onvoldoende is meegewogen. Ten aanzien van de gestelde gevolgen van het medicijnengebruik van appellant, meer in het bijzonder van het medicijn Citalopram, stelt de Raad vast dat het gebruik van deze medicatie bij de bezwaarverzekeringsarts bekend was en deze geen aanleiding heeft gezien in verband daarmee specifieke beperkingen te formuleren. Het standpunt van appellant dat dit wel had moeten gebeuren is niet nader met medische informatie onderbouwd. De Raad onderschrijft in dit verband het commentaar van de bezwaarverzekeringsarts, zoals vermeld in diens rapport van 27 juni 2008.

5. Uit hetgeen onder 4.2 tot en met 4.6 is overwogen volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2010.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) R.L. Venneman.

CVG