Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN0615

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-07-2010
Datum publicatie
08-07-2010
Zaaknummer
08-7404 ZW
Formele relaties
Einduitspraak na bestuurlijke lus: ECLI:NL:CRVB:2011:BQ0391
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen uitkering ingevolge de ZW. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts in het kader van de beoordeling van appellantes aanspraken op een uitkering ingevolge de ZW op inzichtelijke wijze hebben onderbouwd dat zij geschikt wordt geacht voor haar arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/7404 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 november 2008, 08/2422 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.P. Vandervoodt, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, waarbij een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts J.C. Weegink van 29 april 2009 is overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 mei 2010. Appellante en haar gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J. Hut.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, die werkzaam was als administratief medewerkster voor 20 uur per week op het kantoor van een uitzendbureau, heeft zich op 26 september 2006 ziek gemeld in verband met rugklachten. Later zijn daar psychische klachten en pijnklachten op de borst bijgekomen.

1.2. Nadien is appellante een aantal keren gezien op het spreekuur van de verzekeringsarts C.A. Zeelenberg. Naar aanleiding van de resultaten van het onderzoek door deze verzekeringsarts op het laatste spreekuur van 19 maart 2008 heeft het Uwv bij besluit van 19 maart 2008 aan appellante meegedeeld dat haar met ingang van 1 april 2008 geen uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) meer wordt uitgekeerd, omdat zij op en na deze datum niet meer wegens ziekte of gebreken ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van haar arbeid.

1.3. Bij besluit van 6 mei 2008 (hierna: bestreden besluit) is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 19 maart 2008, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts Weegink van 5 mei 2008, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat, gelet op de wijze waarop de bezwaarverzekeringsarts zijn conclusie heeft onderbouwd -mede op basis van bevindingen van de verzekeringsarts en aanvullende informatie van de cardioloog en de psycholoog- het onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest en de conclusie kan dragen dat appellante terecht met ingang van 1 april 2008 in staat wordt geacht haar arbeid te verrichten.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat uit de gedingstukken voldoende blijkt van het feit dat er sprake is van psychische en fysieke ups en downs, die zich ook zullen voordoen in de arbeidsperiode. Volgens appellante had het op de weg van het Uwv gelegen om op basis van medisch verificatoire gegevens tot de conclusie te komen dat daarvan geen last zou worden ondervonden gedurende de werkperiode.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Op grond van het bepaalde in artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kunnen partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken indienen. Gemachtigde van appellante heeft op 20 mei 2010 nadere stukken ingestuurd. Hiermee is de termijn van tien dagen overschreden. De Raad heeft besloten de stukken niet bij de beoordeling te betrekken, mede omdat het Uwv ter zitting heeft aangegeven dat zij geen kennis heeft kunnen nemen van deze stukken.

4.2. Ingevolge artikel 19 van de ZW bestaat recht op ziekengeld indien de verzekerde wegens ziekte of gebrek ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid. Onder ’zijn arbeid’ wordt verstaan het laatstelijk voor de aanvraag van de arbeidsongeschiktheid feitelijk verrichte werk. Nu appellante is uitgevallen vanuit haar werk als administratief medewerkster is deze functie terecht als maatstaf arbeid aangemerkt.

4.3. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts in het kader van de beoordeling van appellantes aanspraken op een uitkering ingevolge de ZW op inzichtelijke wijze hebben onderbouwd dat zij geschikt wordt geacht voor haar arbeid. Op basis van dossierstudie, verkregen inlichtingen tijdens de hoorzitting en met informatie van de behandelend sector heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportage aangegeven dat het standpunt van appellante, dat haar psychische en fysieke ups en downs zich niet alleen thuis zullen voordoen maar ook tijdens het werk, niet met medische gegevens wordt onderbouwd en dat uit de in het dossier aanwezige gegevens evenmin argumenten zijn af te leiden die het standpunt van appellante ondersteunen. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts aangegeven dat de geclaimde concentratiestoornissen niet zijn geobjectiveerd, in welk verband de internist heeft gemeld dat hij daarvoor geen verklaring heeft en dat ook de cardioloog en de psycholoog daaraan geen woorden wijden. Naar het oordeel van de Raad heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportage voldoende overtuigend en gemotiveerd aangegeven om welke reden(en) er geen aanleiding is tot het wijzigen van het eerder ingenomen standpunt dat appellante vanaf 1 april 2008 in staat wordt geacht tot het verrichten van haar arbeid. In hoger beroep heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportage van 29 april 2009, in reactie op de door appellante aangevoerde gronden, nogmaals vermeld dat de claim van appellante met betrekking tot haar psychische en fysieke ups en downs na onderzoek niet geobjectiveerd is en dat haar stelling dat zich dit niet alleen thuis maar ook tijdens werk zal voordoen niet met medische gegevens is onderbouwd. Nu appellante in hoger beroep geen andersluidende medische gegevens heeft overgelegd, ziet de Raad geen aanleiding het standpunt van het Uwv dat appellante per 1 april 2008 geschikt is voor haar arbeid niet te volgen. Dat appellante haar klachten anders ervaart kan, wat daarvan ook zij, niet leiden tot het aanvaarden van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek.

4.4. Uit hetgeen is overwogen onder 4.2 en 4.3 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2010.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) R.L. Venneman.

CVG