Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN0599

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-07-2010
Datum publicatie
08-07-2010
Zaaknummer
08-6570 ZW
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BR0367
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering uitkering ingevolge de ZW. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en maakt die tot de zijne. Zorgvuldig medisch onderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6570 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 6 november 2008, 08/1352 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 mei 2010. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.P.H.M. van Lieshout.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar rubriek 3 van de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

1.2. Appellant, aan wie per 7 november 2006 in aansluiting op de wettelijke wachttijd geen uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is toegekend, heeft zich op 12 oktober 2007 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet bij het Uwv ziek gemeld wegens psychische klachten (stress) en vermoeidheid. Ter zake van deze ziekmelding heeft appellant op 7 november 2007 het spreekuur van de verzekeringsarts F.X.H.M. Op de Coul bezocht, die bij onderzoek van de psyche geen psychopathologie kon vaststellen. Zorgvuldigheidshalve heeft de verzekeringsarts op verzoek van appellant informatie opgevraagd bij de huisarts.

Tijdens het spreekuur van 14 december 2007 heeft de verzekeringsarts appellant, na eigen onderzoek en verkregen informatie van de huisarts, per datum ziekmelding geschikt geacht voor de in het kader van de Wet WIA geduide functies.

Bij besluit van 14 december 2007 heeft het Uwv geweigerd aan appellant per 12 oktober 2007 een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toe te kennen.

1.3. Bij besluit van 11 maart 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts A.D.C. Huijsmans van 6 maart 2008, het bezwaar van appellant tegen het besluit van 14 december 2007 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. De stellingen van appellant in hoger beroep vormen in grote lijnen een herhaling van hetgeen in beroep is aangevoerd. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant nadere stukken, onder andere een verklaring van de longarts C.N.F. van de Moosdijk van 11 november 2009, in het geding gebracht. Nu deze stukken door het Uwv niet bij de beoordeling zijn meegewogen en er geen juist medisch onderzoek heeft plaatsgevonden, is appellant van mening dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtsreeks en objectief medische vast te stellen gevolge van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld.

4.3. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad dient onder ‘zijn arbeid’ in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt echter in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de Wet WIA. Inmiddels heeft de Raad al meerdere malen uitgesproken dat in dergelijke gevallen van ongeschiktheid in de zin van de ZW geen sprake is indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die ten grondslag hebben gelegen aan de schatting in het kader van de Wet WIA.

4.4. De Raad staat derhalve voor de beantwoording van de vraag of hij zich kan stellen achter het oordeel van de rechtbank dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant per datum ziekmelding, te weten 12 oktober 2007, geschikt moet worden geacht voor de voor hem in 2006 in het kader van de Wet WIA voorgehouden functies.

4.5. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de gronden van appellant uitvoerig besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom deze niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en maakt die tot de zijne. Hetgeen appellant in hoger beroep en ter zitting naar voren heeft gebracht, heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen leiden.

Ten aanzien van appellants stelling dat hij ook onder behandeling is van een longarts, onderschrijft de Raad de reactie van de bezwaarverzekeringsarts C.H.M. Heeskens-Reijnen van 5 januari 2009, dat appellant noch in de primaire fase noch in bezwaar heeft aangegeven dat hij vanwege specifieke longklachten onder behandeling stond van een longarts. Uit de in hoger beroep overgelegde verklaring van de longarts C.N.F. van de Moosdijk van 11 november 2009 blijkt dat appellant sinds 2006 onder poliklinische controle staat wegens bronchiëctasieën. Uit een door appellant in hoger beroep overgelegd overzicht van bezoeken aan diverse specialisten (1998-2010) leidt de Raad af dat appellant in de periode vanaf 3 maart 2006 tot 3 april 2008 niet onder behandeling van de longarts is geweest. Op grond van de beschikbare (medische) gegevens kan niet worden geoordeeld dat op de hier in geding van belang zijnde datum, te weten 12 oktober 2007, een relevante toename heeft voorgedaan van de beperkingen van appellant. Dat appellant zijn klachten anders ervaart kan, wat daarvan ook zij, niet leiden tot het aanvaarden van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek. Mitsdien is de Raad van oordeel dat het Uwv op goede gronden en na een voldoende zorgvuldig medisch onderzoek heeft besloten appellant met ingang van 12 oktober 2007 niet in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de ZW.

4.6. Uit hetgeen hiervoor onder 4.2 tot en met 4.5 is overwogen, volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2010.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) R.L. Venneman.

TM