Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN0381

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-06-2010
Datum publicatie
06-07-2010
Zaaknummer
08-4218 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen door het College. Er bestaat geen causaal verband tussen de gestelde gederfde inkomsten en de onrechtmatige besluitvorming van het College. Ten aanzien van de verhuiskosten is de Raad met de rechtbank van oordeel dat er evenmin sprake is van een voldoende causaal verband. Geen vergoeding met betrekking tot de gestelde immateriële schade. De Raad ziet met de rechtbank geen grond voor schadevergoeding nu appellant geestelijk letsel in de zin van het door de rechtbank geschetste wettelijk kader op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4218 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 6 juni 2008, 07/3931 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen op Zoom (hierna: College)

Datum uitspraak: 29 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.A. Breewel-Witteveen, advocaat te Roosendaal, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 mei 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Breewel-Witteveen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.M. Mol, werkzaam bij de gemeente Bergen op Zoom.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft over de periode van 26 mei 1998 tot en met 31 maart 2004 bijstand ontvangen naar de norm voor een alleenstaande. De bijstand is beëindigd omdat appellant is gaan samenwonen en het gezinsinkomen de toepasselijke bijstandsnorm overschreed. Op 1 november 2004 is appellant verhuisd naar [naam gemeente].

1.2. In verband met de psychische gesteldheid van appellant is hem vanaf maart 1999 ontheffing verleend voor de aan de bijstand verbonden verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling. In mei 2001 is appellant bij het Werkvoorzieningsschap West Noord-Brabant te Roosendaal (hierna: Werkvoorzieningsschap) in een Wsw-dienstbetrekking werkzaam geweest. Bij brief van 5 juli 2001 heeft het Werkvoorzieningsschap appellant meegedeeld dat hij op grond van zijn beperkingen niet (meer) in staat wordt geacht te voldoen aan de eisen voor een Wsw-dienstverband en dat hij zich bij gewijzigde omstandigheden opnieuw tot het Werkvoorzieningsschap kan wenden.

1.3. Op 13 november 2003 heeft appellant zich tot het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI) gewend om zijn re-integratiemogelijkheden te bespreken aangezien hij zichzelf niet langer volledig arbeidsongeschikt acht. Dit heeft geleid tot een op dezelfde datum opgesteld re-integratieadvies, gericht aan het College, waarin het CWI adviseert een arbeidsgeschiktheidskeuring uit te voeren op grond waarvan een re-integratietraject voor appellant kan worden bezien. Nadat het CWI appellant bij brief van 3 mei 2004 had meegedeeld hem niet naar arbeid te bemiddelen zolang er geen (her)onderzoek naar zijn mate van arbeidsgeschiktheid was verricht, heeft appellant het College op 27 augustus 2004 verzocht het advies van het CWI uit te voeren en hem te herkeuren.

1.4. Het College heeft het verzoek om een herkeuring aangemerkt als een tegen het uitblijven van een beslissing op het re-integratieadvies van het CWI gericht bezwaar. Bij besluit van 1 november 2004 heeft het College appellant hierop meegedeeld niet tot een herkeuring over te gaan aangezien het College geen aanleiding ziet de eerder vastgestelde arbeidsongeschiktheid van appellant en de daarop gebaseerde ontheffing van de arbeidsverplichtingen in twijfel te trekken.

1.5. Bij besluit van 24 december 2004 heeft het College het bezwaar tegen het uitblijven van een beslissing op het re-integratieadvies van het CWI gegrond verklaard, en het bezwaar tegen het besluit van 1 november 2004 ongegrond verklaard. Vervolgens heeft de rechtbank Breda bij uitspraak van 10 november 2005, voor zover hier nog van belang, het beroep tegen het besluit van 24 december 2004 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd voor zover dit het besluit van 1 november 2004 betreft. Daarbij heeft de rechtbank het College opgedragen opnieuw op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 november 2004 te beslissen en de mate van arbeids(on)geschiktheid van appellant door middel van een medisch onderzoek vast te stellen.

1.6. Ter uitvoering van de onder 1.5 genoemde uitspraak van de rechtbank, heeft het College bij besluit op bezwaar van 7 maart 2006 vastgesteld, onder verwijzing naar het rapport van psycholoog A. Vessies van 2 augustus 2005, dat appellant tot de doelgroep van de Wsw behoort, dat er in die zin geen sprake is van een voor de Wet werk en bijstand (WWB) relevante wijziging in de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant en dat op grond daarvan geen reden is de verleende ontheffing van de arbeidsverplichtingen in te trekken. Tevens heeft het College in dit kader naar voren gebracht dat op grond van het in de gemeente Bergen op Zoom geldende beleid ten aanzien van personen die onder de doelgroep van de Wsw vallen, bij gebreke van een regulier op te starten re-integratietraject, geen voorzieningen of middelen op grond van de WWB worden ingezet. Bij uitspraak van 7 november 2006 heeft de rechtbank Breda het beroep van appellant tegen het besluit van 7 maart 2006 ongegrond verklaard. Hiertegen heeft appellant geen hoger beroep ingesteld.

1.7. Op 16 januari 2007 heeft appellant het College verzocht om vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het uitblijven van een beslissing op het re-integratieadvies van het CWI van 13 november 2003 en het door de rechtbank vernietigde besluit van 24 december 2004. Appellant stelt zich daarbij op het standpunt dat hij eerst met ingang van 31 juli 2006 gedurende 32 uur per week werkzaamheden is gaan verrichten en dat hij, bij een tijdige en juiste besluitvorming door het College, met ingang van eind mei 2005 in deze omvang werkzaamheden had kunnen verrichten en inkomsten had kunnen ontvangen. De over de periode van eind mei 2005 tot en met 31 juli 2006 gederfde inkomsten worden begroot op een bedrag van € 16.064,96. Voorts stelt appellant dat de (wijze van) besluitvorming van het College hem ertoe hebben genoodzaakt op 1 november 2004 te verhuizen naar de gemeente [naam gemeente], teneinde daar een bestaan te kunnen opbouwen. De voor vergoeding in aanmerking komende verhuiskosten heeft appellant begroot op € 474,14. Tot slot verzoekt appellant om vergoeding van de door hem geleden immateriële schade tot een bedrag van € 2.000,--.

1.8. Bij besluit van 6 maart 2007 heeft het College het verzoek van appellant om schadevergoeding afgewezen. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 2 augustus 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 2 augustus 2007 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat vaststaat dat het College toerekenbaar onrechtmatig jegens appellant heeft gehandeld door niet tijdig te beslissen op het re-integratieadvies van het CWI van 13 november 2003 en door op 24 december 2004 een besluit te nemen dat door de rechtbank is vernietigd. Ten aanzien van de inkomstenschade en de verhuiskosten is de rechtbank van oordeel dat een (voldoende) causaal verband ontbreekt tussen deze schadeposten en de onrechtmatige besluitvorming. Ten aanzien van de immateriële schadevergoeding heeft de rechtbank overwogen dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat ten gevolge van de onrechtmatige besluitvorming sprake is geweest van geestelijk letsel dat kan worden beschouwd als een aantasting van zijn persoon als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW).

3. Appellant heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat het College jegens appellant onrechtmatig heeft gehandeld in de zin zoals door de rechtbank is overwogen. In dit geding is dan ook nog uitsluitend de vraag aan de orde of er sprake is van voor vergoeding in aanmerking komende schadeposten.

4.2. Ten aanzien van de gestelde gederfde inkomsten is de Raad met de rechtbank van oordeel dat er geen causaal verband bestaat tussen deze schadepost en de onrechtmatige besluitvorming van het College. Voor zover appellant heeft betoogd dat hij inkomsten uit een reguliere dienstbetrekking is misgelopen, wijst de Raad met de rechtbank op de omstandigheid dat na het door de rechtbank vernietigde besluit van 24 december 2004, het College bij besluit van 10 maart 2006 zijn standpunt heeft gehandhaafd dat appellant ongewijzigd volledig arbeidsongeschikt te achten is ten aanzien van reguliere arbeid en Wsw geïndiceerd was. Dit besluit is in zoverre onherroepelijk komen vast te staan bij uitspraak van de rechtbank van 7 november 2006. Voor zover appellant heeft aangevoerd, zoals ter zitting naar voren is gebracht, dat hij bij een tijdige herkeuring op een eerder tijdstip in aanmerking had kunnen komen voor een Wsw-dienstbetrekking, wijst de Raad met de rechtbank op de inhoud van de onder overweging 1.2 genoemde brief van het Werkvoorzieningsschap van 5 juli 2001. Uit deze brief, waarvan de inhoud is bevestigd bij de zich onder de gedingstukken bevindende brief van het Werkvoorzieningsschap van 30 oktober 2007, is af te leiden dat appellant zich op eigen initiatief en zonder voorafgaande (her)keuring tot het Werkvoorzieningsschap had kunnen wenden voor een Wsw-indicatie. Dat appellant zich in november 2003 tot het CWI heeft gewend en niet tot het Werkvoorzieningsschap, dient onder de gegeven omstandigheden voor rekening van appellant te komen.

4.3. Ten aanzien van de verhuiskosten is de Raad met de rechtbank van oordeel dat er evenmin sprake is van een voldoende causaal verband. De Raad overweegt daartoe dat appellant geenszins de onvermijdelijkheid van de verhuizing op 1 november 2004 aannemelijk heeft gemaakt. Daarbij wijst de Raad er op dat appellant bij brief van 30 september 2004 een woning in [naam gemeente] is aangeboden, hij deze woning op 20 oktober 2004 heeft bezichtigd, dat de woning op 29 oktober 2004 is opgeleverd en dat appellant op 1 november 2004 daadwerkelijk is verhuisd. Uit deze gang van zaken leidt de Raad af dat appellant reeds voordat het College bij besluit van 1 november 2004 had gereageerd op zijn op 27 augustus 2004 ingediende verzoek om een herkeuring, had besloten te verhuizen naar de gemeente [naam gemeente]. Onder deze omstandigheden is de Raad met de rechtbank van oordeel dat er veeleer sprake is van een vrije keuze om te verhuizen dan een door de (onrechtmatige) besluitvorming van het College ingegeven keuze.

4.4. De Raad verenigt zich met betrekking tot de gestelde immateriële schade met het oordeel en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen van de rechtbank. De Raad ziet met de rechtbank geen grond voor schadevergoeding nu appellant geestelijk letsel in de zin van het door de rechtbank geschetste wettelijk kader op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt.

4.5. De Raad komt op grond van hetgeen onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en B.W.N. de Waard als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2010.

(get.) C. van Viegen.

(get.) J.M. Tason Avila.

AV