Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN0368

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-06-2010
Datum publicatie
06-07-2010
Zaaknummer
09-5701 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Gelet op het loon dat bij de geduide functies behoort, staat vast - ongeacht of appellante op de in geding zijnde datum wel of niet geschikt was voor haar voormalige functie van plantenstekster - dat geen verlies aan verdiencapaciteit is opgetreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5701 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 september 2009, 08/970 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. C.A. Madern, advocaat te Amsterdam en door mr. A. Kotan als tolk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.J.M.A. Clerx.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is werkzaam geweest als plantenstekster via een uitzendbureau voor 30 uur per week. Tijdens het ontvangen van uitkering op grond van de Werkloosheidswet heeft zij zich op 1 november 2005 ziek gemeld.

1.2. Op de aanvraag van appellante om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft het Uwv bij besluit van 2 oktober 2007 afwijzend beslist, omdat appellante per 30 oktober 2007 het werk dat zij deed weer zou kunnen doen. Aan dit besluit ligt een onderzoek op 6 september 2007 van M. Molenaar, verzekeringsarts, ten grondslag. De door haar bij appellante geconstateerde beperkingen bij het verrichten van arbeid heeft zij vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De arbeidsdeskundige H.G.P. van der Hoogte heeft op grond daarvan vastgesteld dat appellante geschikt is te beschouwen voor haar voormalige werk als plantenstekster. Voorts heeft hij appellante geschikt geacht voor door hem geselecteerde theoretische functies en vastgesteld dat zij in deze functies meer kan verdienen dan haar maatmanloon.

1.3. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 2 oktober 2007.

Na onderzoek door R.M. Hulst, bezwaarverzekeringsarts, en P. Thoen, bezwaararbeidsdeskundige, heeft het Uwv het bezwaar bij besluit van 19 februari 2008 ongegrond verklaard. Hierbij is overwogen dat appellante onveranderd geschikt moet worden geacht voor vorige arbeid als plantenstekster en tevens geschikt is te achten voor andere functies, waarbij zij een zodanig loon zou kunnen verdienen dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is in de zin van de Wet WIA.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellante tegen het besluit van 19 februari 2008 (hierna: het bestreden besluit) ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, kort gezegd, daarbij de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.

3.1. In hoger beroep voert appellante aan dat zij zowel lichamelijk als psychisch meer beperkingen heeft dan door het Uwv is aangenomen; hierdoor kan zij de voor de schatting gehanteerde functies, anders dan het Uwv stelt, niet uitoefenen. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft zij nadere verklaringen van haar huisarts E.A.B. Pos en haar psychiater S. Sidali toegezonden.

3.2. Het Uwv heeft daarop reacties van bezwaarverzekeringsarts Hulst van 10 december 2009 en 30 december 2009 toegezonden en, gelet op de inhoud daarvan, verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4.1. De Raad oordeelt als volgt.

4.2. Met betrekking tot het bestreden besluit merkt de Raad allereerst op dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest. Met de rechtbank heeft de Raad voorts geen reden te twijfelen aan de juistheid van de bij appellante vastgestelde medische beperkingen. Verzekeringsarts Molenaar heeft bij haar onderzoek onderkend dat appellante psychische klachten heeft die beperkingen in het persoonlijk functioneren meebrengen, terwijl appellante voorts vanwege een pijnsyndroom geen fysiek zwaar werk kan verrichten en niet lang achtereen kan staan en lopen. Bezwaarverzekeringsarts Hulst heeft in de bezwaarfase informatie opgevraagd bij GGZ Buitenamstel, bij welke instelling appellante onder behandeling was. Hulst heeft, na weging van de verschillende medische gegevens - waaronder die van de GGZ Buitenamstel van januari 2007 en van de revalidatiearts van het Jan van Breemeninstituut waar appellante in december 2006 was onderzocht - nog enkele beperkingen toegevoegd aan de FML voor het persoonlijk functioneren en het sociaal functioneren.

4.3. De door appellante nadien in de beroepsfase toegezonden informatie uit 2008 van haar huisarts en van het Jan van Breemeninstituut, alsmede de in hoger beroep door haar toegezonden informatie uit 2009 van haar huisarts en uit 2009 en 2010 van haar psychiater bevatten volgens Hulst geen nieuwe gegevens en hebben hem niet tot het standpunt geleid dat appellante meer of anders beperkt is dan door hem was vastgesteld.

De Raad kan zijn standpunt volgen dat daartoe onvoldoende aanknopingspunten in objectief-medische zin aanwezig zijn. Daarbij laat de Raad, mede in aanmerking nemend hetgeen verder door en namens appellante ter zitting naar voren is gebracht, wegen dat psychiater Sidali ruim twee jaar na de in geding zijnde datum een wat ernstiger beeld van de situatie van appellante lijkt te schetsen dan de GGZ Buitenamstel en de verzekeringsartsen Molenaar en Hulst eerder deden, zonder dat Sidali toelicht waarom hij het daarmee niet eens is. Ook de door appellante toegezonden overige informatie geeft de Raad geen redenen om te twijfelen aan de juistheid van de overwegingen van bezwaarverzekeringsarts Hulst waarop het bestreden besluit mede is gebaseerd.

4.4. Daarvan uitgaande, is de Raad van oordeel dat de theoretische functies die aan de schatting ten grondslag liggen in medisch opzicht voor appellante geschikt konden worden geacht, gelet op de aan deze functies verbonden belastende aspecten. Dit is met het rapport van 13 februari 2008 van bezwaararbeidsdeskundige Thoen, welk rapport mede is ondertekend door bezwaarverzekeringsarts Hulst, voldoende verifieerbaar en inzichtelijk toegelicht. Gelet op het loon dat bij die functies behoort, staat vast - ongeacht of appellante op de in geding zijnde datum wel of niet geschikt was voor haar voormalige functie van plantenstekster - dat geen verlies aan verdiencapaciteit is opgetreden. Dit betekent dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante in de zin van de Wet WIA op de in geding zijnde datum 30 oktober 2007 terecht is gesteld op minder dan 35%.

4.5. Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J. Riphagen en C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) A.L. de Gier.

EK