Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN0365

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-07-2010
Datum publicatie
06-07-2010
Zaaknummer
09-2612 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verhoging vordering met wettelijke rente en invorderingskosten is een besluit. De verhoging is in overeenstemming met de hierop betrekking hebbende wet- en regelgeving. Geen sprake van schending art. 6 EVRM.

Wetsverwijzingen
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen 63
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen 64
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen 65
Regeling betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en onverschuldigde betalingen 9
Regeling betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en onverschuldigde betalingen 12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2612 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 2 april 2009, 08/2781 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 2 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2010. Appellant was aanwezig. Voor het Uwv was aanwezig drs. C.L. Schuren.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant ontving een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ).

1.2. Bij besluit van 19 april 2001 heeft het Uwv ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen het besluit van 2 november 2000, waarbij van appellant een bedrag van f 8.414,53 is teruggevorderd wegens onverschuldigd betaalde uitkering over de periode van 1 oktober 1999 tot en met 29 februari 2000.

1.3. Bij uitspraak van 26 februari 2002 (00/1028, 00/1814 en 01/933) heeft de rechtbank (onder meer) het beroep van appellant tegen het besluit van 19 april 2001 ongegrond verklaard. De Raad heeft bij uitspraak van 10 september 2004 (02/2263, 02/2264 en 02/2265) deze uitspraak van de rechtbank bevestigd.

1.4. Bij besluit van 28 januari 2008 heeft het Uwv de vordering op appellant voortvloeiende uit het besluit van 19 april 2001 verhoogd met wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten.

1.5. Bij besluit van 6 mei 2008 heeft het Uwv ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 januari 2008. Bij dit besluit heeft het Uwv het volgende overzicht gegeven:

onverschuldigde betaling: € 3.818,35

15% invorderingskosten : € 400,28 (15% van € 3.818,35 - € 1.149,79)

wettelijke rente: € 1.605,84 (vanaf 14 december 2000)

totaal: € 5.824,47

waarop is voldaan: € 1.149,79

restant vordering: € 4.674,68

Het bedrag dat is voldaan, betreft het bedrag dat het Uwv van een deurwaarder heeft ontvangen, zijnde het bedrag dat de deurwaarder van appellant heeft ontvangen onder aftrek van € 774,73 aan invorderingskosten.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 6 mei 2008 ongegrond verklaard.

2.2. De rechtbank heeft het besluit van 6 mei 2008 getoetst aan het bepaalde in de artikelen 63 tot en met 65 van de WAZ, de artikelen 9 en 12 van de Regeling betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en onverschuldigde betalingen en artikel 4 van de Beleidsregels terug- en invordering. Tevens heeft de rechtbank acht geslagen op het

Deurwaardersreglement. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat het besluit van 6 mei 2008 in overeenstemming is met de ter zake geldende wet- en regelgeving.

3.1. Naar aanleiding van hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, overweegt de Raad allereerst dat uitsluitend in geschil is het oordeel van de rechtbank over de verhoging van de vordering die het Uwv op appellant had. Dit betekent dat de Raad voorbijgaat aan het door appellant gestelde dat geen betrekking heeft op deze verhoging. Dit geldt in het bijzonder met betrekking tot het door hem gestelde over het beslag op zijn woning en het beslag op zijn AOW-pensioen.

3.2. Hiervan uitgaande is de Raad van oordeel dat de rechtbank bij haar uitspraak genoegzaam uiteen heeft gezet dat de verhoging in overeenstemming is met de hierop betrekking hebbende wet- en regelgeving. Voor zover appellant meende dat, gelet op het bepaalde in artikel 63, tweede lid, aanhef en onder d, van de WAZ, hij kon volstaan met een betaling in één keer aan de deurwaarder van ten minste de helft van de restsom, wijst de Raad op hetgeen de rechtbank hierover heeft overwogen. De Raad kan zich ook hierin vinden. Hier komt bij dat appellant niet ten minste de helft van de restsom in één keer heeft betaald, omdat hij bij zijn betaling aan de deurwaarder over het hoofd heeft gezien dat hij ook nog invorderingskosten verschuldigd was aan de deurwaarder.

3.3. Met betrekking tot het - niet onderbouwde - beroep van appellant op artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden overweegt de Raad dat hij niet vermag in te zien waarom er in het geval van appellant sprake zou zijn van een schending van deze verdragsbepaling.

3.4. In reactie op de stelling van appellant dat hij in bezwaar ten onrechte niet is gehoord, heeft de gemachtigde van het Uwv ter zitting van de Raad opgemerkt dat destijds telefonisch een afspraak met appellant is gemaakt voor een hoorzitting. De zich onder de gedingstukken bevindende uitnodiging voor een hoorzitting maakt melding van een op 14 april 2008 gemaakte afspraak. Gelet hierop moet het ervoor worden gehouden dat appellant wel degelijk is uitgenodigd voor een hoorzitting en dat hij daarvan om hem moverende redenen heeft afgezien.

3.5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling is, anders dan appellant heeft gesteld, geen plaats.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2010.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) R.L. Venneman.

JL