Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN0307

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-06-2010
Datum publicatie
06-07-2010
Zaaknummer
10-721 WMO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De brief van 19 november 2009 bevat een schriftelijke weigering van het College op het bezwaarschrift van 13 november 2009 te beslissen. Daarmee moet deze weigering te beslissen met toepassing van artikel 6:2 van de Awb met een besluit op bezwaar gelijk worden gesteld. De voorzieningenrechter heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak komt daarom voor vernietiging in aanmerking. De Raad is van oordeel dat de zaak geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft en zal daarom de zaak zelf afdoen. Omdat het bezwaarschrift van 13 november 2009 dus niet gericht was tegen een besluit, had het College het bezwaar niet-ontvankelijk moeten verklaren. Het beroep is daarom gegrond. Het besluit van 19 november 2009 dient vernietigd te worden wegens strijd met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder a, in verbinding met artikel 8:1, eerste lid, van de Awb. Hieruit volgt ook dat nog slechts één beslissing mogelijk is. De Raad zal de zaak daarom zelf met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb afdoen en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Het verzoek om toekenning van een vergoeding voor kosten van de bezwaarprocedure moet met toepassing van artikel 7:15 van de Awb worden afgewezen, omdat geen herroeping plaatsvindt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2010/247
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/721 WMO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], verblijvende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 26 januari 2010, 09/5672 en 09/5499 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 22 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.G. Fischer, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Fischer en mr. A. Busser, werkzaam bij Amnesty International, als medegemachtigde van appellant. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. van Golberdinge en mr. M.A.H. van der Hijden, beiden werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij fax van 10 november 2009, gericht aan de gemeente Amsterdam, Dienst Zorg en Samenleven, heeft mr. J.H. Kruseman, kantoorgenoot van mr. Fischer namens appellant gevraagd om een voorziening ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).

1.2. Bij brief van 11 november 2009 heeft het secretariaat van de Afdeling Vangnet en Advies van de Geneeskundige en Gezondheidsdienst (GGD) van de gemeente Amsterdam mr. Kruseman bericht dat het secretariaat de fax van 10 november 2009, bestemd voor de gemeente Amsterdam, Dienst Zorg en Samenleven, had ontvangen, en dat deze omdat die niet voor de GGD bestemd was, per post werd geretourneerd.

1.3. Bij brief van 13 november 2009 aan het College, Afdeling Bezwaar en Beroep, heeft mr. Kruseman bezwaar gemaakt tegen de beslissing die hij in de brief van 11 november 2009 vervat ziet. Daarbij is het volgende geschreven:

“In uw beslissing geeft u aan niets te doen. Niets doen betekent dat u de aanvraag afwijst. Aangezien uw afwijzing summier gemotiveerd is, volstaan summiere bezwaargronden: uw afwijzing is in strijd met artikel 3 en 8 EVRM”.

Mr. Kruseman heeft daarbij gevraagd de beslissing te heroverwegen en verzocht om vergoeding van de kosten van de bezwaarprocedure.

1.4. Bij e-mailbericht van 13 november 2009 heeft F. Veldstra, senior jurist van de afdeling Bedrijfsvoering/Juridische Zaken van de Dienst Zorg en Samenleven mr. Kruseman bericht dat hij de aanvraag van 10 november 2009 zojuist had ontvangen en een eerste reactie op die aanvraag gegeven. Daarin is onder meer meegedeeld dat de gemeente Amsterdam zich op het standpunt stelt dat artikel 20 van de Wmo geen grondslag biedt voor het nemen van besluiten over opvang aan mensen zoals appellant en dat hierover een procedure wordt gevoerd bij de Centrale Raad van Beroep, waarover de gemeente op 18 november 2009 uitsluitsel hoopt te krijgen. Voorts is gevraagd om het IND- of vreemdelingennummer van appellant om te bezien of hij buiten de Wmo om op enige wijze ondersteund kan worden.

1.5. Bij brief van 19 november 2009 heeft het College mr. Kruseman bericht dat de Afdeling Juridische Zaken van de Dienst Werk en Inkomen (DWI) van de gemeente Amsterdam het onder 1.3 genoemde bezwaarschrift heeft ontvangen. Verder is meegedeeld dat de Afdeling Juridische Zaken alleen bezwaarschriften behandelt tegen besluiten van de DWI, en dat daarom het bezwaarschrift niet in behandeling wordt genomen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank - voor zover van hier van belang - het beroep tegen de brief van 19 november 2009 niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft de voorzieningenrechter overwogen dat het College met de brief van 19 november 2009 niet heeft beslist op het bezwaar van appellant van 13 november 2009, doch slechts heeft meegedeeld dat het bezwaar niet in behandeling wordt genomen. Omdat die brief geen blijk geeft van een heroverweging als bedoeld in artikel 7:11, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), bevat die brief niet een besluit op bezwaar waartegen beroep kan worden ingesteld. De voorzieningenrechter heeft tot slot overwogen dat het College alsnog een besluit moet nemen op het verzoek om opvang, gedaan bij de brief van 10 november 2009.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft de klacht geuit dat de traagheid waarmee beslist wordt en het daarmee feitelijk onthouden van beschutting in strijd is met artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.

4. Het College heeft op 10 februari 2010 inhoudelijk op de aanvraag beslist.

5. De Raad komt ambtshalve tot de volgende beoordeling.

5.1. Ingevolge artikel 6:2 van de Awb moet voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit worden gelijkgesteld:

a. de schriftelijke weigering een besluit te nemen, en

b. het niet tijdig nemen van een besluit.

5.2. Tussen partijen is niet in geschil, en ook de Raad is van oordeel, dat de fax van 10 november 2009 een aanvraag is om een voorziening op grond van de Wmo, dat het College het bevoegde bestuursorgaan is om op die aanvraag te beslissen en dat de brief van 13 november 2009 aan het College een bezwaarschrift is.

5.3. Volgens vaste rechtspraak is een beslissing op een bezwaarschrift een publiekrechtelijke rechtshandeling, en daarmee ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb een besluit. De Raad is van oordeel dat de brief van 19 november 2009 een schriftelijke weigering van het College bevat op het bezwaarschrift van 13 november 2009 te beslissen. Daarmee moet deze weigering te beslissen met toepassing van artikel 6:2 van de Awb met een besluit op bezwaar gelijk worden gesteld. De voorzieningenrechter heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak komt daarom - voor zover aangevochten - voor vernietiging in aanmerking. De Raad is van oordeel dat de zaak geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft en zal daarom de zaak zelf afdoen en, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep inhoudelijk beoordelen.

5.4. De brief van 11 november 2009, waarbij de GGD de fax van 10 november 2009 aan mr. Kruseman retourneert, bevat, gelet op de inhoud, geen afwijzing van de aanvraag, en is daarom geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste en tweede lid, van de Awb. Deze brief kan ook niet met toepassing van artikel 6:2 van de Awb met een besluit worden gelijkgesteld. Uit de inhoud van de brief, de functie van de afzender en het onderdeel van de gemeente Amsterdam waar deze afzender werkzaam was, kan, zeker in combinatie met het onder 1.4 genoemde e-mailbericht, niet worden afgeleid dat het College schriftelijk weigerde om een beslissing op de aanvraag te nemen. De beslistermijn was één dag na de aanvraag ook niet verstreken. Het bezwaarschrift van 13 november 2009 is ook niet gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit of tegen het weigeren om een besluit te nemen, maar uitdrukkelijk gericht tegen de door appellant in die brief gelezen afwijzing van zijn aanvraag.

5.5. Omdat het bezwaarschrift van 13 november 2009 dus niet gericht was tegen een besluit, had het College het bezwaar niet-ontvankelijk moeten verklaren. Het beroep is daarom gegrond. Het besluit van 19 november 2009 dient vernietigd te worden wegens strijd met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder a, in verbinding met artikel 8:1, eerste lid, van de Awb. Hieruit volgt ook dat nog slechts één beslissing mogelijk is. De Raad zal de zaak daarom zelf met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb afdoen en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Het verzoek om toekenning van een vergoeding voor kosten van de bezwaarprocedure moet met toepassing van artikel 7:15 van de Awb worden afgewezen, omdat geen herroeping plaatsvindt.

6. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 874,-- in beroep en op € 874,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 19 november 2009;

Verklaart het bezwaar van 13 november 2009 niet-ontvankelijk;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.748,--;

Bepaalt dat het College aan appellant het betaalde griffierecht van in totaal € 151,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2010.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) R.L.G. Boot.