Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN0250

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-07-2010
Datum publicatie
06-07-2010
Zaaknummer
08-6430 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Omvang van het geding in hoger beroep is beperkt is tot de beoordeling van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. Het Uwv dient steeds inzichtelijk en deugdelijk te motiveren of de “markeringen” gevolgen hebben voor het oordeel over de passendheid van de functies. In hoger beroep is alsnog de noodzakelijke, concrete en deugdelijke toelichting gegeven en is geconcludeerd dat de geduide functies de functionele mogelijkheden - van de meer beperkte dominante hand/arm/schouder - van betrokkene op deze en daarmee samenhangende aspecten niet overschrijden. De rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit worden in stand gelaten. De op het formulier proceskosten opgevoerde kosten “opvang dochter” komen niet voor vergoeding in aanmerking, gelet op de ter zake geldende regels.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6430 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 14 oktober 2008, 07/3163

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene).

Datum uitspraak: 2 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 23 november 2009 heeft de Raad een aantal vragen aan appellant gesteld, welke vragen bij brief van 19 januari 2010 door appellant zijn beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2010. Appellant, daartoe ambtshalve opgeroepen, is verschenen bij zijn gemachtigde mr. C. Roele. Betrokkene is in persoon verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene was werkzaam als bloembindster/verkoopster voor 36 uur per week, toen zij op 2 december 2003 uitviel als gevolg van zwangerschapsklachten. Na afloop van het bevallingsverlof bleef zij arbeidsongeschikt als gevolg van toegenomen klachten aan haar nek, rechter schouder en rechter arm. In aansluiting op de wettelijke wachttijd is haar - na bezwaar - met ingang van 29 maart 2004 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

1.2. In het kader van een herbeoordeling op grond van het aangepaste Schattingsbesluit is betrokkene op 12 april 2007 onderzocht door verzekeringsarts L.H. Adriaansz. Deze concludeerde op basis van dossierstudie en eigen onderzoek dat betrokkene nog steeds beperkingen ondervindt. De voor betrokkene aangenomen beperkingen zijn door de verzekeringsarts vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 12 april 2007. Op basis hiervan selecteerde arbeidsdeskundige P. Vlasveld, blijkens zijn rapport van 11 mei 2007 functies met behulp van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) en berekende het verlies aan verdiencapaciteit van betrokkene op 0%. In overeenstemming hiermee heeft appellant bij besluit van 30 mei 2007 de WAO-uitkering van betrokkene met ingang van 12 juli 2007 ingetrokken.

1.3. In bezwaar hebben de bezwaarverzekeringsarts A.M. Blaauw-Hoeksma en de bezwaararbeidsdeskundige C. Wouters blijkens hun rapporten van 13 september 2007 en 11 oktober 2007 geen aanleiding gezien af te wijken van de primaire beoordelingen. Onder verwijzing naar die beide rapporten heeft appellant bij besluit van 12 oktober 2007 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 30 mei 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak, onder een bepaling over vergoeding van griffierecht.

2.1. De rechtbank heeft geen reden gezien om te twijfelen aan de juistheid van de door de verzekeringsarts vastgestelde en door de bezwaarverzekeringsarts juist bevonden medische beperkingen, zoals neergelegd in de FML van 12 april 2007. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat betrokkene geen medische gegevens heeft overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat zij meer beperkt is. Daarom heeft de rechtbank geoordeeld dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag berust.

2.2. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank overwogen dat appellant ten onrechte geen toelichting heeft gegeven op de niet-matchende items dominantie (4.1) en localisatie beperkingen (4.2), terwijl deze wel voorzien zijn van een asterisk (*). De rechtbank heeft geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre onzorgvuldig is voorbereid en een deugdelijke motivering ontbeert, zodat dit besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt vernietigd.

2.3. In verband met het door appellant nieuw te nemen besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat de functies van parkeercontroleur en portier voor betrokkene passend zijn te achten, doch de functie van inkoper niet.

3.1. In hoger beroep heeft appellant, onder verwijzing naar een rapport, van bezwaararbeidsdeskundige F.M.A. Havermans van 6 november 2008, aangevoerd dat de door de rechtbank genoemde items dominantie en localisatie beperkingen niet-matchende aspecten zijn. Het gaat daarbij evenwel niet om signaleringen van mogelijke overschrijdingen van de aangegeven belastbaarheid, maar veeleer om aandachtspunten van de verzekeringsarts aan de arbeidsdeskundige. De vermelding van een * op de betreffende items is dus van een andere orde dan de - altijd te motiveren - vermelding van M, G, M* en G*. Overigens dient bij de beoordeling van de overige items wel rekening te worden gehouden met de informatie van de verzekeringsarts over de items dominantie en localisatie beperkingen. Appellant heeft enerzijds aangegeven bij deze items geen specifieke motivering per functie noodzakelijk te achten, doch anderzijds dient dan wel duidelijk te zijn dat deze items in een bepaalde situatie óf relevantie missen óf van gering belang zijn, óf dat er wel sprake is van relevantie en waartoe dat leidt. Ter zitting is namens appellant het standpunt verdedigd dat hoe dan ook in hoger beroep een toereikende motivering van de passendheid van de functies is gegeven, zodat de Raad is verzocht de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten.

3.2. Betrokkene heeft in verweer gesteld dat zij het niet eens is met het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit. Zij acht zich meer beperkt dan door de artsen van appellant is aangenomen. Betrokkene deelt wel het oordeel van de rechtbank over de ontoereikende motivering van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Onder verwijzing naar het besprokene ter zitting en naar zijn uitspraak van

22 oktober 2008 (LJN BG1621) stelt de Raad ambtshalve vast dat de omvang van het geding in hoger beroep beperkt is tot de beoordeling van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit, nu de rechtbank in duidelijke bewoordingen de beroepsgronden van betrokkene met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen en betrokkene hiertegen geen hoger beroep heeft ingesteld. De Raad merkt op dat de rechtbank betrokkene (in overweging 12 van) de aangevallen uitspraak uitdrukkelijk op deze consequentie heeft gewezen.

4.2. Naar aanleiding van het betoog van appellant overweegt de Raad dat uit zijn rechtspraak naar voren komt dat op grond van het geheel van de voorliggende

CBBS-gegevens, in samenhang bezien met de verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige rapportages, uiterlijk in bezwaar voldoende inzichtelijk en toetsbaar dient te zijn of de uiteindelijk als grondslag voor de schatting in aanmerking genomen functies, ook werkelijk geschikt zijn te achten voor de betrokken verzekerde. Geheel in lijn met zijn eerdere uitspraken - verwezen wordt naar onder andere zijn uitspraken van 19 januari 2007 (LJN AZ6905), 23 februari 2007 (LJN AZ9157), 25 februari 2009 (LJN BH4036), 17 april 2009 (LJN BI2618), 15 januari 2010 (LJN9958) en 27 januari 2010 (LJN BL0858)) - is de Raad van oordeel dat het Uwv steeds inzichtelijk en deugdelijk dient te motiveren of de “markeringen” op de items 4.1 dominantie en 4.2 localisatie beperkingen gevolgen hebben voor het oordeel over de passendheid van de functies. Het wil de Raad overigens voorkomen dat ook appellant zelf het belang hiervan inziet, nu appellant – als onder 3.1 aangegeven – heeft gesteld dat in een voorkomend geval steeds duidelijk dient te zijn dat deze items óf relevantie missen óf van gering belang zijn, óf dat er wel sprake is van relevantie en waartoe dat leidt. Niet valt in te zien dat aan deze voorwaarde kan worden voldaan zonder een daarop gerichte specifieke toelichting.

4.3. In het voorliggende geding is de Raad van oordeel dat in het rapport van bezwaararbeidsdeskundige Havermans van 6 november 2008, bezien in samenhang met de brief van 19 januari 2010, met betrekking tot beide items 4.1 en 4.2 in hoger beroep alsnog de noodzakelijke, concrete en deugdelijke toelichting is gegeven en is geconcludeerd dat de functies van parkeercontroleur, portier/toezichthouder, keukenverkoper en assistent consultatiebureau, de functionele mogelijkheden - van de meer beperkte dominante hand/arm/schouder - van betrokkene op deze en daarmee samenhangende aspecten niet overschrijden.

4.4. Nu appellant in hoger beroep alsnog een afdoende arbeidskundige onderbouwing van het bestreden besluit heeft gegeven, is dit voor de Raad aanleiding de aangevallen uitspraak te vernietigen voor zover daarbij is bepaald dat appellant een nieuw besluit dient te nemen. Gelet op het hiervoor overwogene, kunnen de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit met toepassing van artikel 8:73, derde lid, van de Awb in stand worden gelaten.

5. Ten slotte ziet de Raad aanleiding om appellant op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze worden begroot op € 29,20 voor gemaakte reiskosten. De op het formulier proceskosten opgevoerde kosten “opvang dochter” komen niet voor vergoeding in aanmerking, gelet op de ter zake geldende regels.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij is bepaald dat appellant een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van die uitspraak;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 29,20.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.P.M. Zeijen en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2010.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) M. Mostert.

TM