Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN0248

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-07-2010
Datum publicatie
06-07-2010
Zaaknummer
09-1937 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Voldoende medische grondslag. Geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de medische passendheid van de geduide functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1937 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 27 februari 2009, 08/5270 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 2 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.H.J. Toxopeus, advocaat te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en daarbij gevoegd een rapport van de bezwaarverzekeringsarts A. Mirza van 8 juni 2009.

Appellant heeft op 8 oktober 2009 medische stukken ingediend. Het Uwv heeft hierop gereageerd door overlegging van het rapport van de bezwaarverzekeringsarts F.L. van Duijn van 2 november 2009.

Appellant heeft op 21 april 2010, alsmede op 4, 14 en 20 mei 2010 nadere (medische) stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juni 2010. Namens appellant is zijn gemachtigde verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant was werkzaam als productiemedewerker boekbinderij toen hij op 18 oktober 1994 uitviel met rugklachten. Aan appellant is met ingang van 17 oktober 1995 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, welke met ingang van 8 september 1997 werd berekend naar de klasse 80 tot 100%.

2. Appellant is in het kader van een herbeoordeling op grond van het aangepaste Schattingsbesluit op 21 september 2007 onderzocht door de verzekeringsarts W.S. Vrijlandt. In een rapport van dezelfde datum vermeldde Vrijlandt dat appellant al 16 jaar fysiotherapie heeft gehad zonder resultaat. Als diagnose stelde Vrijlandt chronische lage rugklachten en hij achtte appellant in staat rugsparend werk te verrichten. De beperkingen legde hij vast in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML), waarna bij het arbeidskundig onderzoek na functieduiding een verlies aan verdienvermogen werd berekend van 34,8%. Hierna herzag het Uwv bij besluit van 13 november 2007 de WAO-uitkering van appellant met ingang van 14 januari 2008 naar de klasse 25 tot 35%.

3. In de bezwaarprocedure ontving de in rubriek I vermelde bezwaarverzekeringsarts Mirza informatie van de huisarts van 15 februari 2008. Deze beschreef de behandelingen en onderzoek in het verleden en stelde als diagnose (pseudo)radiculaire pijn. Het advies was zoveel mogelijk blijven bewegen en oefenen. Voorts berichtte de door Mirza ingeschakelde orthopedisch chirurg dr. M. Vischjager op 8 april 2008 aan Mirza dat sprake was van een lichte graad van arthrose in de thoracale en lumbale wervelkolom en daardoor van een duidelijk verminderd belastbaarheidsniveau, waarvan het gevolg voor inzet op de arbeidsmarkt evenwel buiten zijn expertisegebied lag. Mirza beschreef en woog in haar rapport van 25 april 2008 de beschikbare medische informatie, verrichtte zelf in aansluiting op de hoorzitting op 4 februari 2008 een lichamelijk onderzoek en concludeerde dat, gelet op de door Vrijlandt aangenomen beperkingen, de fysieke belastbaarheid van appellant op de datum in geding niet was overschat. De bezwaararbeidsdeskundige lichtte vervolgens in een rapport van 25 juni 2008 de signaleringen toe, corrigeerde het maatmaninkomen en berekende het verlies aan verdienvermogen op ruim 35%. Hierna verklaarde het Uwv bij besluit van 30 juni 2008 het tegen het besluit van 13 november 2007 gemaakte bezwaar gegrond en baseerde hij de WAO-uitkering van appellant met ingang van 14 januari 2008 op de klasse 35 tot 45%.

4. In de beroepsprocedure tegen het besluit van 30 juni 2008 (hierna: bestreden besluit) overlegde appellant medische informatie waaronder een brief van de huisarts van 24 december 2008 en van de neuroloog A.L. Strikwerda aan de huisarts van 28 juli 2008.

5.1. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond.

5.2. De rechtbank woog het door Vrijlandt en Mirza verrichte verzekeringsgeneeskundig onderzoek uitvoerig en besprak de beschikbaar gekomen medische informatie. Zij concludeerde dat er geen medische informatie was waaruit bleek dat appellant op de datum in geding reeds beperkingen ondervond als gevolg van psychische klachten en dat de rugbeperkingen van appellant in de FML niet onjuist zijn weergegeven. Voorts achtte de rechtbank de signaleringen in de geduide functies in de arbeidskundige rapporten afdoende toegelicht.

6. In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellant de in eerdere fasen van de procedure voorgedragen gronden en argumenten in essentie herhaald. Deze komen er op neer dat in de FML de belastbaarheid van de rug niet juist is weergegeven. Voorts heeft de gemachtigde gewezen op informatie van de GZ-psycholoog J. Prins van 27 mei en 20 augustus 2009. Verder heeft de gemachtigde ter staving van de ernst van de rugklachten stukken overgelegd inzake appellant in 2010 verstrekte voorzieningen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning.

7.1. De Raad heeft geen aanleiding gezien over de medische grondslag van het bestreden besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank. Hij onderschrijft hetgeen de rechtbank terzake heeft overwogen en wijst erop dat zij in het bijzonder ook is ingegaan op de in overweging 4 vermelde informatie van de huisarts en de neuroloog Strikwerda, welke informatie volgens de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten biedt om te twijfelen aan het medisch oordeel van Vrijlandt en Mirza. Voorts kan er niet aan worden voorbijgezien dat bezwaarverzekeringsarts Van Duijn in de in rubriek I vermelde reactie op de in hoger beroep overgelegde informatie van de GZ-psycholoog heeft aangegeven dat appellant tot augustus 2008 alleen werd behandeld voor rugklachten en dat eerst in april 2009 een verwijzing door de huisarts naar de GZ-psycholoog volgde. Volgens Van Duijn ziet de informatie van de GZ-psycholoog dan ook niet op de datum in geding. Dit is ter zitting desgevraagd ook erkend door de gemachtigde van appellant. Ten slotte wijst de Raad erop dat bij de in overweging 6 bedoelde stukken betreffende appellant in 2010 toegekende voorzieningen niet zijn overgelegd de aan die toekenningen ten grondslag gelegde (medische) beoordelingen.

7.2. Uitgaande van de juistheid van de voor appellant door het Uwv vastgestelde beperkingen ziet de Raad geen aanknopingspunten het oordeel van de rechtbank over de medische passendheid van de geduide functies – tegen welk oordeel namens appellant in hoger beroep geen afzonderlijke gronden zijn aangevoerd – voor onjuist te houden.

7.3. De overwegingen 7.1 en 7.2 brengen de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2010.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M.D.F. de Moor.

EK