Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN0244

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-05-2010
Datum publicatie
05-07-2010
Zaaknummer
07-7167 WMO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Namens appellante is naar voren is gebracht dat zij belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep, omdat zij de uitkomst ervan wil gebruiken in het kader van een ander geding tegen het College (onderhoudscontracten voor diverse woonvoorzieningen). De Raad oordeelt dat dit (...)een geheel andere voorziening betreft dan de aangevraagde woonvoorzieningen. Geen procesbelang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/7167 WMO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem van 15 november 2007, 07/4357 en 07/4328 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem (hierna: College)

Datum uitspraak: 26 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.T.F. van Berkel, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2009. Appellante is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.A. de Ronde, werkzaam bij de gemeente Arnhem.

De Raad heeft het onderzoek heropend en aan appellante schriftelijke vragen gesteld. Namens appellante is bij brief van 18 januari 2010 een beantwoording ingezonden.

Partijen hebben toestemming verleend om het houden van een nadere zitting achterwege te laten.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1 Appellante is als gevolg van een progressieve spierziekte volledig rolstoelafhankelijk. In verband met haar beperkingen woonde zij in een Fokuswoning, die zij na een conflict met de Stichting Fokus Exploitatie (hierna: de Stichting) uiterlijk met ingang van 1 januari 2008 moest verlaten.

1.2. Appellante heeft in verband daarmee op 13 maart 2007 op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet maatschappelijke ondersteuning een aantal woonvoorzieningen aangevraagd, te weten een plafondtillift, elektrische deuren en een afstandsbediening. Zij heeft er daarbij melding van gemaakt dat deze voorzieningen bedoeld zijn voor een nieuwe, nog aan te kopen woning, omdat zij haar Fokuswoning moest verlaten. Appellante heeft vervolgens eind maart 2007 een gedeeltelijk aangepaste woning gekocht.

1.3. Het College heeft de aanvraag van 13 maart 2007 bij besluit van 1 mei 2007 afgewezen op de grond dat appellante is verhuisd of zal gaan verhuizen naar een niet adequate woning en dat zij haar nieuwe woning zonder voorafgaand overleg of toestemming heeft gekocht.

1.4. Het College heeft het bezwaar tegen het besluit van 1 mei 2007 bij besluit van 26 september 2007 ongegrond verklaard.

1.5. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het besluit van 26 september 2007 ongegrond verklaard.

1.6. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

1.7. Het College heeft gepersisteerd bij zijn in het besluit van 26 september 2007 neergelegde standpunt.

2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3. De gemachtigde van het College heeft op de zitting van 9 december 2009 verklaard dat in een telefoongesprek met appellante naar voren is gekomen dat de Stichting de in geding zijnde woonvoorzieningen inmiddels aan appellante heeft vergoed. De Raad stelt op grond van de brief van de gemachtigde van appellante van 10 januari 2010 vast dat appellante dit heeft bevestigd.

4. Uit vaste jurisprudentie van de Raad, bijvoorbeeld de uitspraak van 31 augustus 2006, LJN AY8271, vloeit voort dat eerst sprake is van (voldoende) processueel belang indien het resultaat, dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang.

5. De Raad stelt vast dat namens appellante naar voren is gebracht dat zij belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep, omdat zij de uitkomst ervan wil gebruiken in het kader van een ander geding tegen het College. Dit geding gaat over het besluit van het College om een aanvraag van appellante voor onderhoudscontracten voor diverse woonvoorzieningen af te wijzen.

6. De Raad is van oordeel dat dit belang een geheel andere voorziening betreft dan de aangevraagde woonvoorzieningen, zodat daaraan geen belang kan worden ontleend bij een inhoudelijke beoordeling van het onderhavige geding. Dit betekent dat het procesbelang is komen te ontvallen en dat het hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

7. De Raad ziet geen reden voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en G.M.T. Berkel-Kikkert en H.C.P. Venema als leden, in tegenwoordigheid van J. Waasdorp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2010.

(get.) R.M. van Male.

(get.) J. Waasdorp.

BvW

275