Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN0241

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-07-2010
Datum publicatie
06-07-2010
Zaaknummer
08-5314 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Niet voldoende gebleken van de door eiseres gestelde kans op langdurig verzuim. De ontoegankelijkheid van de functie baliemedewerker behoeft geen bespreking, nu dit een reservefunctie betreft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5314 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 23 juli 2008, 08/571 (hierna: de aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 2 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante stelde mr. J.T.F. van Berkel van SRK Rechtsbijstand hoger beroep in.

Het Uwv voerde verweer.

De zitting vond plaats op 19 juni 2009. Namens appellante verscheen mr. Van Berkel. Namens het Uwv verscheen mr. G.G. Prijor.

De Raad heropende het onderzoek en legde het Uwv enkele vragen ter beantwoording voor. Daarop antwoordde het Uwv met de inzending van een rapport van 11 augustus 2009 van de bezwaarverzekeringsarts.

De vervolgzitting vond plaats op 21 mei 2010. Appellante was afwezig. Het Uwv liet zich vertegenwoordigen door M.L. Turnhout.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Het inleidende beroep richt zich tegen het besluit van 14 december 2007 dat het Uwv ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) nam. Met dat besluit handhaaft het Uwv ondanks het bezwaar van appellante zijn besluit van 1 juni 2007, waarbij hij de WAO-uitkering van appellante met ingang van 1 augustus 2007 verlaagde naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25%.

2. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.

3.1. Appellante is geboren op [datum] 1967. Op 3-jarige leeftijd raakte zij ernstig verbrand aan de linker lichaamshelft.

3.2. Appellante werkte laatstelijk als administratief (magazijn-) medewerkster. Dat werk staakte zij op 8 december 1993 in verband met arm-, schouder- en handklachten, die verband hielden met de gevolgen van de verbrandingen. Haar eigen werk kan zijn niet meer doen.

3.3. Appellante kreeg een WAO-uitkering toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35%.

3.4. De verzekeringsarts onderzocht appellante op zijn spreekuur en beschikte over inlichtingen van de behandelende reumatoloog. Hij stelde een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op met daarin beperkingen voor het verrichten zwaar fysiek werk. De bezwaarverzekeringsarts is het op basis van zijn dossieronderzoek eens met de FML.

3.5. De arbeidsdeskundige selecteerde vijf functies met een belasting binnen de grenzen van de FML en berekende een loonverlies van ongeveer 17%.

4.1. In hoger beroep herhaalt appellante als beroepsgrond dat haar medische beperkingen in de FML zijn onderschat. De functie baliemedewerker is voor haar niet toegankelijk, doordat zij vanwege brandwonden op haar gezicht en haar arm onvoldoende representatief is. Appellante voert in dat verband ook aan dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig was, nu de bezwaarverzekeringsarts de hoorzitting niet bijwoonde; als gevolg van zijn afwezigheid kon de bezwaarverzekeringsarts zich geen beeld vormen over de ontsierende littekens. Verder moet zij geregeld huidcorrecties- en transplantaties ondergaan waardoor een meer dan regulier ziekteverzuim is te verwachten.

5.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat geen aanleiding bestaat tot twijfel aan de juistheid van de FML of de geschiktheid van de functies.

5.2.1. De rechtbank verwierp de beroepsgrond over het bovenmatig ziekteverzuim met de volgende overweging:

“Ter zitting heeft eiseres verklaard dat zij voor het laatst in 2003 is geopereerd en dat zij de eerstvolgende keer in november 2008 zal worden geopereerd. Voorts heeft zij verklaard dat zij bij haar huidige werkgever zelden ziek is. Derhalve is naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende gebleken van de door eiseres gestelde kans op langdurig verzuim”.

5.2.2. De Raad onderschrijft deze overweging.

5.3. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de beroepsgrond over de ontoegankelijkheid van de functie baliemedewerker geen bespreking behoeft, nu dit een reservefunctie betreft, die niet aan de schatting ten grondslag ligt. Datzelfde geldt, wat daarvan ook overigens van zij, voor de beroepsgrond met betrekking tot aanwezigheid van de bezwaarverzekeringsarts bij de hoorzitting.

6. Het hoger beroep slaagt niet en de Raad zal de aangevallen uitspraak bevestigen.

7. De Raad ziet geen aanleiding voor een kostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2010.

(get.) R.C. Stam.

(get.) T.J. van der Torn.

RK