Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN0240

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-07-2010
Datum publicatie
06-07-2010
Zaaknummer
09-6691 Wajong
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag aanmerken als een verzoek om terug te komen van het besluit van 12 augustus 2005. Geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Gelet op het beperkte toetsingskader van artikel 4:6 van de Awb, dat van dwingendrechtelijke aard is, is er geen ruimte is om daarnaast nog te onderzoeken of appellant vanaf zijn zeventiende levensjaar niet arbeidsgeschikt was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6691 Wajong

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 4 november 2009, 09/500 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 2 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Hemelaar, advocaat te Leiden, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant zijn aanvullende stukken in geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2010, waar appellant is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M. Snijders.

II. OVERWEGINGEN

1. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de artikelen van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), zoals die luidden tot 1 januari 2010.

2.1. Appellant, geboren [in] 1976, heeft in 2003 een aanvraag gedaan voor een Wajong-uitkering. Deze aanvraag is niet in behandeling genomen omdat appellant niet op het spreekuur verscheen. Appellant heeft op 12 april 2005 opnieuw een aanvraag gedaan voor een Wajong-uitkering. Bij besluit van 12 augustus 2005 heeft het Uwv een Wajong-uitkering geweigerd op de grond dat appellant vanaf zijn zeventiende levensjaar niet 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend, waarmee dit besluit in rechte vast staat.

2.2. Appellant heeft op 3 maart 2008 andermaal een aanvraag gedaan voor een Wajong-uitkering. Bij besluit van 25 maart 2008 heeft het Uwv geweigerd om terug te komen van zijn besluit van 12 augustus 2005, omdat niet is gebleken is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bij besluit van 11 december 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

3. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak tot het oordeel gekomen dat het Uwv, gelet op artikel 4: 6 van de Awb, terecht heeft geoordeeld dat niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden op grond waarvan het besluit 12 augustus 2005 niet in stand kan blijven. Het beroep tegen het bestreden besluit is daarom ongegrond verklaard.

4. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij ten tijde van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek in 2005 niet wilde erkennen dat hij een stoornis had en dat dit besef pas in 2008 is gekomen. Appellant heeft voorts aangevoerd dat zijn stoornis invloed had op zijn studieresultaten en arbeidsparticipatie waardoor hij niet arbeidsgeschikt was in de periode vanaf zijn zeventiende levensjaar. Ter ondersteuning is verwezen naar het rapport van GGZ Delfland van 24 november 2008, de verklaringen van zijn docenten van de middelbare school en de in hoger beroep overgelegde informatie.

5.1. De Raad overweegt het volgende.

5.2. Met de rechtbank ziet de Raad de aanvraag van 3 maart 2008 als een verzoek om terug te komen van het besluit van 12 augustus 2005.

5.3. Artikel 4:6, eerste lid, van de Awb bepaalt dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.

5.4. De aanvraag van 3 maart 2008 heeft het Uwv inhoudelijk beoordeeld en vervolgens afgewezen. Aan deze afwijzing ligt ten grondslag de onderzoeken van de verzekeringsarts P.A. ter Linden en de bezwaarverzekeringsarts F.L. van Duijn, waarbij het verhandelde op de hoorzitting en de informatie van de huisarts en de behandelaars van appellant is meegewogen.

5.4.1. Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd om, na een eerdere afwijzing, een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bepaalde in artikel 4:6 van de Awb staat daaraan niet in de weg.

5.4.2. Als het Uwv deze bevoegdheid gebruikt en de eerdere afwijzing handhaaft, opent dit echter niet de weg naar een volledige rechterlijke toetsing, want dat verdraagt zich niet met de dwingend voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. Daarom heeft de rechtbank zich terecht tot de vraag beperkt of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

5.5. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de door appellant aangevoerde omstandigheden niet als nieuw feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb kunnen worden aangemerkt. De Raad merkt hierbij op dat hetgeen van de zijde van appellant schriftelijk en ter zitting is aangevoerd geen aanknopingspunten bevat voor een andersluidend oordeel, nog daargelaten dat de in hoger beroep overgelegde informatie ingevolge artikel 4:6 van de Awb bij het verzoek om herziening had dienen te worden overgelegd. Voorts overweegt de Raad dat, gelet op het beperkte toetsingskader van artikel 4:6 van de Awb, dat van dwingendrechtelijke aard is, er geen ruimte is om daarnaast nog te onderzoeken of appellant vanaf zijn zeventiende levensjaar niet arbeidsgeschikt was. Reeds om die reden slaagt de daarop gerichte beroepgsgrond van appellant niet.

5.6. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep van appellant niet slaagt.

6. Ten slotte acht de Raad geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2010.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M.A. van Amerongen.

JL