Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN0236

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-06-2010
Datum publicatie
05-07-2010
Zaaknummer
07-3379 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag bijzondere bijstand buiten behandeling gesteld en in bezwaar afgewezen. De eis van het College dat (de) kosten eerst aantoonbaar moeten zijn voldaan voordat om bijzondere bijstand kan worden verzocht te ver gaat, omdat dit impliceert dat de belanghebbende deze kosten steeds zelf dient voor te schieten hetgeen zeker bij een cumulatie van zodanige kosten bezwaarlijk kan zijn. De over juli en augustus 2004 gedeclareerde griffierechten tot een bedrag van € 554,-- zijn in toereikende mate verantwoord. Van de overige gedeclareerde bedragen moet op grond van de voorhanden gegevens met de rechtbank worden geoordeeld dat appellante onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat deze kosten daadwerkelijk door haar zijn gemaakt dan wel tot concrete aanvragen of kosten van appellante zijn te herleiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2010/165
RSV 2010/236 met annotatie van H. van Deutekom
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3379 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 15 mei 2007, 05/692 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden (hierna: College)

Datum uitspraak: 15 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.R. van der Pol, advocaat te Leeuwarden, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsvonden op 4 mei 2010. Voor appellante zijn verschenen mr. Van der Pol en [naam zoon van appellante], zoon van appellante. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door P.C. Caron, werkzaam bij de gemeente Leeuwarden.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Op 31 augustus 2004 heeft appellante twee aanvragen om bijzondere bijstand ingediend voor door haar verschuldigde eigen bijdragen rechtsbijstand en griffierechten tot een bedrag van respectievelijk € 1.140,-- en € 702,--. Deze aanvragen zijn bij besluit van 23 december 2004 wegens het niet verstrekken van de gevraagde aanvullende gegevens buiten behandeling gesteld.

1.2. Bij besluit van 27 mei 2005 heeft het College de gemaakte bezwaren tegen het uitblijven van een besluit op de aanvragen gegrond verklaard en de aanvragen alsnog afgewezen. Daaraan is, voor zover hier van belang, ten grondslag gelegd dat de te maken of gemaakte kosten niet naar behoren zijn aangetoond.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gericht tegen het uitblijven van het besluit op het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en het beroep voor het overige ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich gemotiveerd tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt voorop dat aan een bestuursorgaan niet de bevoegdheid kan worden ontzegd om terug te komen van een eerder gevolgde gedragslijn, waarbij geclaimde kosten ter zake van verschuldigde griffierechten en eigen bijdragen voor rechtsbijstand kennelijk door middel van bijzondere bijstandsverlening werden vergoed zonder dat bewijsstukken van die kosten werden verlangd. De Raad voegt daar evenwel aan toe dat de eis dat deze kosten eerst aantoonbaar moeten zijn voldaan voordat om bijzondere bijstand kan worden verzocht te ver gaat, omdat dit impliceert dat de belanghebbende deze kosten steeds zelf dient voor te schieten hetgeen zeker bij een cumulatie van zodanige kosten bezwaarlijk kan zijn. Voor de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de Wet werk en bijstand volstaat in dit verband dat aannemelijk wordt gemaakt dát de kosten (zullen moeten) worden gemaakt en dat deze noodzakelijk zijn. Daarnaast geldt onverkort de voorwaarde dat sprake moet zijn van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan alsmede dat de kosten niet uit eigen inkomen of draagkracht kunnen worden voldaan.

4.2. Anders dan de rechtbank komt de Raad, aan de hand van het door het College geproduceerde overzicht “ontvangen kostendeclaraties” van 7 maart 2005 en de daarop gegeven toelichting ter zitting van de Raad, tot het oordeel dat de over juli en augustus 2004 gedeclareerde griffierechten tot een bedrag van € 554,-- in toereikende mate zijn verantwoord. Van de overige gedeclareerde bedragen moet op grond van de voorhanden gegevens met de rechtbank worden geoordeeld dat appellante onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat deze kosten daadwerkelijk door haar zijn gemaakt dan wel tot concrete aanvragen of kosten van appellante zijn te herleiden.

4.3. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het ingestelde beroep gegrond verklaren en het besluit van 27 mei 2005, voor zover aangevochten, vernietigen. Voorts zal de Raad uit een oogpunt van - ook door partijen gewenste - finale geschillenbeslechting bepalen dat het College aan appellante een bedrag van € 554,-- aan bijzondere bijstand toekent voor bovenvermelde kosten. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat er, blijkens de voorhanden gegevens en het verhandelde ter zitting, geen aanknopingspunten zijn dat appellante ten tijde in geding over in aanmerking te nemen draagkracht zou beschikken en dat ook overigens niet van een beletsel voor bijzondere bijstandsverlening voor de onderhavige kosten is gebleken.

5. De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 27 mei 2005 voor zover daarbij de aanvragen om bijzondere bijstand zijn afgewezen;

Bepaalt dat aan appellante ter zake van de gevraagde kosten tot een bedrag van € 554,-- bijzondere bijstand wordt verleend;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van in totaal € 1.288,--;

Bepaalt dat het College aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 143,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en R.H.M. Roelofs en R. van der Spoel als leden, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2010.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) W. Altenaar.

AV