Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN0227

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-07-2010
Datum publicatie
05-07-2010
Zaaknummer
09-5622 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. De door de rechtbank ingeschakelde deskundige wordt gevolgd. Uitgaande van de juistheid van de voor appellante vastgestelde en door de deskundige onderschreven belastbaarheid, ziet de Raad ook geen aanleiding de geduide functies voor appellante in medisch opzicht niet geschikt te achten. De Raad wijst erop dat de deskundige aan de FML een beperking op samenwerking heeft toegevoegd, die inhoudt dat appellante met anderen kan samenwerken maar met een eigen, van te voren afgebakende deeltaak. Met de gemachtigde van het Uwv leest de Raad in het rapport van de deskundige niet dat sprake is van spontane woedeaanvallen van appellante, zodat niet kan worden aangenomen dat elk contact met collega’s moet worden vermeden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5622 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 20 augustus 2009, 08/6590 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 2 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.C.M. van Schijndel, advocaat te 's-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juni 2010.

Namens appellante is haar gemachtigde verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was werkzaam als agrarisch medewerkster. Zij meldde zich met ingang van 10 januari 2006 arbeidsongeschikt als gevolg van psychische klachten en buikklachten.

1.2. Appellante is op 15 februari 2008 onderzocht door de verzekeringsarts

A.A.C. Hordijk in het kader van de beoordeling van haar aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Hordijk maakte in haar rapport van dezelfde datum melding van de bevindingen van de behandelend psychiater, die sprak van een depressieve stoornis met veel ingehouden agressie. Voorts lag informatie voor van de psycholoog A. Naaktgeboren, die op 15 augustus 2007 als diagnose aangaf een Post traumatische stressstoornis (PTSS). Hordijk vermeldde, evenals deze behandelaars, de belaste voorgeschiedenis van appellante en gaf aan dat sprake was van een sombere stemming. Bij het lichamelijk onderzoek deed Hordijk geen bijzondere vaststellingen. Hordijk achtte appellante aangewezen op niet al te rugbelastende werkzaamheden in een rustige omgeving zonder stress. Zij legde haar bevindingen vast in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Bij het arbeidskundig onderzoek werd na functieduiding vastgesteld dat geen sprake was van verlies aan verdienvermogen. Hierna stelde het Uwv bij besluit van 4 maart 2008 vast dat appellante met ingang van 16 mei 2008 geen recht had op een Wet WIA-uitkering.

2. In de bezwaarprocedure ontving de bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal een brief van de psycholoog Naaktgeboren van 18 juni 2008, die de diagnose PTSS herhaalde en aangaf dat er sinds eind januari 2008 na de zwangerschap en een periode van borstvoeding ruimte was voor instelling van appellante op medicatie. Volgens deze psycholoog zou de prognose verbeteren als appellante kon functioneren in een omgeving met weinig externe stress en spanningen die optreden binnen contact met anderen. Admiraal woog in een rapport van 23 juni 2006 de beschikbare medische gegevens, beoordeelde het onderzoek van Hordijk als op zich adequaat, maar concludeerde dat de FML in lijn met de conclusie van Naaktgeboren diende te worden aangevuld met beperkingen ten aanzien van samenwerking en regelmatige omgang met klanten. De bezwaararbeidsdeskundige concludeerde dat in de geduide functies niet werd samengewerkt dan wel werd samengewerkt met een eigen afgebakende deeltaak en dat daarin geen sprake was van rechtstreeks contact met klanten. Hij achtte de geduide functies onveranderd medisch geschikt voor appellante. Bij besluit van 25 juli 2008 verklaarde het Uwv het tegen het besluit van 4 maart 2008 gemaakte bezwaar ongegrond.

3.1. In beroep voerde appellante aan dat door het Uwv haar psychische en rugbeperkingen onjuist zijn vastgesteld. Voorts achtte zij de aan de schatting ten grondslag gelegde functies medisch niet geschikt om reden van het aspect samenwerking.

3.2.1. Naar aanleiding van het beroep en het verhandelde op haar zitting van 12 februari 2009 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de psychiater M. Kazemier benoemd als deskundige voor het instellen van een onderzoek. In de vraagstelling vroeg de rechtbank bijzondere aandacht voor de door Admiraal in de FML aangebrachte wijzigingen.

3.2.2. Kazemier besprak in zijn rapport van 18 mei 2009 de beschikbare medische gegevens. Op basis hiervan en het eigen psychiatrisch onderzoek concludeerde hij dat de voorgeschiedenis van appellante uiteraard beschadigend is geweest maar onvoldoende oorzakelijk leek voor de diagnose PTSS. Volgens Kazemier kon gesproken worden van een Cinderella-syndroom waarbij enige dramatisering en een dependente attitude passen. Dit syndroom valt echter buiten het kader van DSM IV-T.R., maar kan volgens Kazemier wel gezien worden als een ontwikkelingsstoornis. Hij kon zich verenigen met de FML en ook met de aanpassingen daarin van Admiraal, die voldoende recht deden aan het gestelde door psycholoog Naaktgeboren. Volgens Kazemier kan appellante met andere personen samenwerken maar kan zij makkelijk boos worden als zij iets niet begrijpt. Bij genoegzame verduidelijking van de taken moet appellante deze, aldus Kazemier, binnen haar mogelijkheden kunnen uitvoeren en hij concludeerde dat vervulling van de geduide functies tot de mogelijkheden van appellante behoorde.

3.2.3. De gemachtigde van appellante wees in de reactie op het rapport van Kazemier op de in overweging 2 vermelde brief van de psycholoog Naaktgeboren en leidde daaruit af dat het niet zo is dat appellante kan werken in de nabijheid van collega’s zolang zij een eigen takenpakket heeft en niet in hoge mate afhankelijk is van die collega’s.

3.3. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 25 juli 2008 (hierna: bestreden besluit) ongegrond. Zij gaf de conclusies van Kazemier weer in haar uitspraak en zag geen aanleiding, ook niet in de in 3.2.3 vermelde reactie, de conclusie van de door haar geraadpleegde deskundige niet te volgen.

4. In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellante de in 3.2.3 vermelde reactie op het rapport van Kazemier herhaald en gesteld dat, in plaats van de conclusies van Kazemier, op basis van de bevindingen van de psycholoog Naaktgeboren zou moet worden aangenomen dat de beperkingen van appellante onjuist zijn vastgesteld. Voorts zijn de bezwaren tegen de geduide functies herhaald.

5.1. De Raad heeft in het hoger beroep van appellante geen aanleiding gezien om een ander oordeel te geven over de medische grondslag van het bestreden besluit dan de rechtbank. De Raad wijst wat betreft het onderzoek van Kazemier op zijn vaste rechtspraak welke inhoudt dat de bestuursrechter in beginsel de conclusies van een door hem ingeschakelde deskundige pleegt te volgen. De enkele eigen interpretatie van de gemachtigde van appellante van de informatie van de psycholoog Naaktgeboren kan naar het oordeel van de Raad niet dienen als een bijzondere omstandigheid die afwijking van de conclusies van de deskundige zou kunnen rechtvaardigen. De Raad tekent daarbij aan dat die interpretatie niet vergezeld is gegaan van dan wel steunt op een beredeneerd afwijkende medische conclusie van de behandelaars van appellante. Met de rechtbank ziet de Raad derhalve ook in dit geval geen aanleiding om van even bedoelde vaste rechtspraak af te wijken.

5.2. Uitgaande van de juistheid van de voor appellante vastgestelde en door de deskundige onderschreven belastbaarheid, ziet de Raad ook geen aanleiding de geduide functies voor appellante in medisch opzicht niet geschikt te achten. De Raad wijst erop dat Admiraal aan de FML een beperking op samenwerking heeft toegevoegd, die inhoudt dat appellante met anderen kan samenwerken maar met een eigen, van te voren afgebakende deeltaak. Met de gemachtigde van het Uwv leest de Raad in het rapport van Kazemier niet dat sprake is van spontane woedeaanvallen van appellante, zodat niet kan worden aangenomen dat elk contact met collega’s moet worden vermeden. De Raad heeft geen aanleiding gezien om de onder 2 vermelde conclusie van de bezwaararbeids-deskundige dat de geduide functies ook aan de beperking ten aanzien van samenwerking voldoen, voor onjuist te houden.

5.3. De overwegingen 5.1 en 5.2 leiden de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2010.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M.D.F. de Moor.

TM