Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN0226

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-07-2010
Datum publicatie
06-07-2010
Zaaknummer
09-1008 WIA-T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op WIA-uitkering, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt. Tussenuitspraak. Het beroep is door rechtbank gegrond verklaard en het bestreden besluit is vernietigd wat betreft het arbeidskundige gedeelte. Hoger beroep ingesteld door het Uwv. Met verwijzing naar zijn uitspraken (LJN AT1852 en LJN BB9311) overweegt de Raad ambtshalve dat de arbeidskundige component van een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling niet is aan te merken als een zelfstandig deelbesluit. Voor gedeeltelijke vernietiging van een besluit is bij een onjuist bevinden van die arbeidskundige grondslag dan ook geen plaats. De aangevallen uitspraak zal daarom in de (eind)uitspraak worden vernietigd. In aanmerking genomen dat appellant bij het laten vervallen van de functie van wikkelaar zowel over de mogelijkheid beschikt om een reservefunctie in beschouwing te nemen als om functies bij te duiden, is de Raad thans niet in staat om het geschil tussen partijen definitief te beslechten. Daarom ziet de Raad aanleiding om appellant in de gelegenheid te stellen een nader arbeidskundig onderzoek te verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1008 WIA-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

T U S S E N U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 30 december 2008, 08/4094 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene).

Datum uitspraak: 2 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Namens betrokkene heeft mr. S.G.C. van Ingen, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft appellant bij brief van 23 december 2009 nadere informatie verstrekt.

Bij brief van 11 februari 2010 is namens betrokkene op voornoemde informatie gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. de Rooy. Betrokkene is - met voorafgaand bericht - niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene, laatstelijk werkzaam als timmerman, is op 28 januari 2004 uitgevallen met nek-, rug- en heupklachten en psychische klachten. Bij besluit van 16 januari 2006 heeft appellant vastgesteld dat voor betrokkene per 25 januari 2006, zijnde einde wachttijd voor de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), geen recht op uitkering is ontstaan, op de grond dat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt. Betrokkene heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend.

1.2. Op 15 februari 2007 heeft betrokkene zich vanuit een situatie van werkloosheid toegenomen arbeidsongeschikt gemeld. Bij besluit van 1 november 2007 heeft appellant vastgesteld dat betrokkene per 15 februari 2007 geen recht op WIA-uitkering heeft, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt.

1.3. Appellant heeft bij besluit van 24 april 2008 (hierna: bestreden besluit) het bezwaar van betrokkene gericht tegen het besluit van 1 november 2007 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd wat betreft het arbeidskundige gedeelte, het Uwv opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen en bepalingen gegeven ter zake van vergoeding van proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen aanleiding was de medische grondslag van het bestreden besluit voor onjuist te houden. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd vanwege een onvoldoende motivering van de medische geschiktheid van de voor betrokkene geselecteerde functie van wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur, SBC-code 267050 (hierna: wikkelaar).

3. Appellant heeft in hoger beroep, kort samengevat, aangevoerd dat de geschiktheid van de (mede) aan de schatting ten grondslag gelegde functie van wikkelaar voldoende inzichtelijk is gemotiveerd.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De rechtbank heeft het arbeidskundige gedeelte van het bestreden besluit vernietigd. Met verwijzing naar zijn uitspraken van 16 maart 2005 (LJN AT1852), 28 november 2007 (LJN BB9311) en 23 januari 2008 (LJN BC2880) overweegt de Raad ambtshalve dat de arbeidskundige component van een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling niet is aan te merken als een zelfstandig deelbesluit of een onderdeel van een besluit als bedoeld in (de wetsgeschiedenis van) artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht. Voor gedeeltelijke vernietiging van een besluit is bij een onjuist bevinden van die arbeidskundige grondslag dan ook geen plaats. De aangevallen uitspraak zal daarom in de (eind)uitspraak worden vernietigd.

4.2. De Raad stelt voorts vast dat nu betrokkene geen hoger beroep heeft ingesteld, slechts aan de orde is de vraag of de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functie van wikkelaar voor betrokkene in medisch opzicht passend is te achten.

4.3. De Raad beantwoordt die vraag ontkennend. De Raad acht onvoldoende door appellant toegelicht dat de belasting in de geselecteerde functie van wikkelaar in overeenstemming is met de belastbaarheid van betrokkene. De verzekeringsarts heeft de beperkingen van betrokkene vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 9 oktober 2007. In die FML heeft de verzekeringsarts als specifieke voorwaarde voor het persoonlijk functioneren in arbeid opgenomen dat betrokkene is aangewezen op werk waarin geen hoog handelingstempo is vereist. Als toelichting heeft de verzekeringsarts gegeven: “af en toe geen bezwaar”. Uit het resultaat functiebeoordeling komt naar voren dat betrokkene in de functie van wikkelaar enkele tientallen spoeltjes per uur produceert, waarbij nauwkeurig en geconcentreerd gewerkt moet worden; het betreft precisiewerk. Door de bezwaararbeidsdeskundige is zowel in bezwaar, in beroep als in hoger beroep de volgende toelichting gegeven met betrekking tot het handelingstempo: “De cyclustijd is in de orde van een minuut, er worden bij een vol tempo in een uur dus ca. 60 spoeltjes gemaakt. De betreffende (ervaren) medewerkers verrichten precisiehandelingen vrij snel en geroutineerd (en geconcentreerd). […]. De observator krijgt dus een indruk van vrij hoog precisietempo, maar snelheid is uiteraard nogal een subjectief begrip. Ik heb in de analyse 360 keer reiken per uur gescoord, of gemiddeld elke tien seconden iets pakken of wegleggen. Dat geeft ook een indruk van de handelingssnelheid. […].” Die toelichting is voor de Raad niet toereikend. Het mag zo zijn dat, zoals ter zitting namens appellant is benadrukt, de normaalwaarde op het item reiken niet wordt overschreden, maar dit neemt niet weg dat in deze functie het aspect handelingstempo meer aspecten omvat dan reiken, nu uit de functiebelasting blijkt dat daarnaast sprake is van nauwkeurig en geconcentreerd werken bij een redelijk hoog tempo. Met een toelichting op het aspect ‘reiken’ alleen, is die functie derhalve onvoldoende toegelicht.

4.4. In aanmerking genomen dat, zoals namens appellant ook ter zitting is aangegeven, appellant bij het laten vervallen van de functie van wikkelaar zowel over de mogelijkheid beschikt om een reservefunctie in beschouwing te nemen als om functies bij te duiden, is de Raad thans niet in staat om het geschil tussen partijen definitief te beslechten. Daarom ziet de Raad aanleiding om appellant in de gelegenheid te stellen een nader arbeidskundig onderzoek te verrichten teneinde het in rechtsoverweging 4.3 aangeduide gebrek te herstellen.

4.5. De Raad ziet aanleiding met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet appellant op te dragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Appellant dient een nader arbeidskundig onderzoek te verrichten en de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene per 15 februari 2007 opnieuw vast te stellen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Draagt appellant op binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en R. Kruisdijk en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2010.

(get.) J.P.M. Zeijen.

(get.) D.E.P.M. Bary.

JL