Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN0219

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-07-2010
Datum publicatie
05-07-2010
Zaaknummer
10-345 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. De Raad overweegt allereerst dat, anders dan het Uwv en de rechtbank aannemen, er nog geen sprake is van een definitief rechterlijk oordeel inzake de lichamelijke medische beperkingen van appellante, reeds omdat het hier, anders dan in de voorgaande procedure bij de rechtbank, gaat om de datum 4 mei 2001. De door de rechtbank ingestelde deskundigen worden gevolgd. Vermoeden van schending redelijke termijn in bestuurlijke en rechterlijke fase.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/345 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 december 2009, 06/5018 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 2 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.A. Bouwman, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Met brieven van 7, 11 en 12 mei 2010 heeft mr. Bouwman de gronden van het hoger beroep aangevuld en nadere medische informatie overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Bouwman. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, laatstelijk werkzaam als accountmanager, heeft zich op 27 maart 2001 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet ziek gemeld met een posttraumatisch stresssyndroom en rug- en nekklachten als gevolg van een ernstige mishandeling door haar toenmalige vriend op 5 mei 2000. Bij besluit van 11 april 2002, na bezwaar bevestigd bij het besluit van 31 januari 2003, heeft het Uwv appellante ingaande 26 maart 2002 een arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) geweigerd, onder de overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was. Deze besluitvorming berustte op het standpunt van het Uwv dat appellante weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat zij met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies. Vergelijking van de aan die functies ontleende verdiencapaciteit met het voor haar geldende maatmaninkomen resulteerde in een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 15%.

1.2. De rechtbank heeft bij uitspraak van 27 december 2004 het beroep tegen het besluit van 31 januari 2003 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd, met de opdracht aan het Uwv om een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Omtrent de medische grondslag van dit besluit heeft de rechtbank overwogen, dat dit niet zorgvuldig is voorbereid omdat geen, althans onvoldoende rekening is gehouden met nadere informatie omtrent de psychische conditie van appellante. Betreffende de lichamelijke klachten heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen reden is voor twijfel aan de juistheid van de door de verzekeringsartsen vastgestelde beperkingen, met dien verstande dat appellante bij de hernieuwde besluitvorming medische informatie met betrekking tot de behandeling door de osteopaat aan het Uwv kan overleggen, zodat dit bij de nadere besluitvorming kan worden betrokken. Inzake de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv uitgaande van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag 5 mei 2000 ten onrechte het maatmaninkomen van appellante heeft vastgesteld op het wettelijk minimumloon.

1.3. Ter uitvoering van deze uitspraak van de rechtbank heeft de bezwaarverzekeringsarts M.C. Wijnen appellante op 7 december 2005 op het spreekuur gezien en de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) uitgebreid met beperkingen op het gebied van concentreren en verdelen van de aandacht, herinneren en handelingstempo. De bezwaararbeidsdeskundige C.J.T. Neefjes heeft vervolgens het maatmaninkomen opnieuw vastgesteld, functies geselecteerd die appellante met haar beperkingen kan vervullen en het verlies aan verdiencapaciteit berekend op 23,09%. Bij (hernieuwd) besluit op bezwaar van

4 september 2006 heeft het Uwv appellante met ingang van 4 mei 2001 een uitkering ingevolge de WAO toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Appellante heeft andermaal beroep ingesteld.

2.1. De rechtbank heeft een tweetal deskundigen benoemd. De psychiater dr. D.J. Vinkers heeft op 25 juni 2008 gerapporteerd dat appellante lijdt aan een conversiestoornis bij theatrale persoonlijkheidskenmerken en heeft aangegeven dat de FML aanscherping behoeft bij het item ”inzicht in eigen kunnen”. De arbeidsdeskundige K.W.A. Schouten heeft op 22 mei 2009 gerapporteerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies gelet op de functie-eisen en de belastbaarheid van appellante in redelijkheid waren op te dragen. Gezien de functiekarakteristieken is er sprake van eenvoudige functies met minimale persoonlijke invulling, een afgebakend werkpakket en een voorspelbare werksituatie.

2.2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

4 september 2006 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard. De rechtbank volgt appellante niet in haar stelling dat de bezwaararbeidsdeskundige de door de deskundige-psychiater Vinkers vastgestelde conversiestoornis zelfstandig in zijn beoordeling van de geschiktheid van de functies had moeten betrekken. Ten aanzien van de lichamelijke beperkingen van appellante heeft de rechtbank overwogen dat deze al in de voorgaande uitspraak van de rechtbank waren beoordeeld en akkoord bevonden. De rechtbank is van oordeel dat het medische onderzoek, na aanvulling naar aanleiding van het rapport van deskundige Vinkers, voldoende zorgvuldig is geweest. Voorts heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden om de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit voor onjuist te houden.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat haar fysieke en psychische beperkingen door de deskundige Vinkers zijn onderschat en dat deze deskundige ten onrechte niet is gevraagd of hij een urenbeperking medisch noodzakelijk achtte. De gemachtigde van appellante heeft de Raad voorts verzocht andere medische deskundigen in te schakelen. Ook is een schrijven van de huisarts van appellante van 11 mei 2010 overgelegd, inhoudende dat appellante bekend is met Factor-V-Leiden, heterozygote type. Volgens de gemachtigde van appellante gaat het hier om een genetische bloedstollingafwijking. Appellante heeft ter zitting desgevraagd toegelicht, dat de behandelend internist haar heeft ontraden om intensief te staan en te zitten en medicijnen met hormonen te gebruiken. Voorts is opgeworpen dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies vanwege verhoogd persoonlijk risico en andere overschrijdingen van de belastbaarheid van appellante in medisch opzicht niet passend zijn. Appellante heeft ten slotte verzocht om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4. Het Uwv heeft gesteld dat appellante geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 27 december 2004, zodat het daarin neergelegde oordeel van de rechtbank omtrent de juistheid van de lichamelijke beperkingen van appellante, zoals vastgesteld door het Uwv, daarmee in rechte vaststaat en in dit geding niet meer aan de orde kan komen. Het Uwv heeft zich voorts met verwijzing naar de visie van de door de rechtbank ingeschakelde deskundigen en de rapporten van de (bezwaar)verzekeringsartsen op het standpunt gesteld dat de medische beperkingen correct zijn vastgesteld en dat er geen reden is om de door de rechtbank ingeschakelde deskundige nogmaals te benaderen dan wel andere deskundigen in te schakelen. Ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM heeft het Uwv ter zitting aangegeven zich te refereren aan het oordeel van de Raad.

5. De Raad oordeelt als volgt.

5.1. De Raad overweegt allereerst dat, anders dan het Uwv en de rechtbank aannemen, er nog geen sprake is van een definitief rechterlijk oordeel inzake de lichamelijke medische beperkingen van appellante, reeds omdat het hier, anders dan in de voorgaande procedure bij de rechtbank, gaat om de datum 4 mei 2001.

5.2. De Raad ziet geen aanleiding de deskundige-psychiater Vinkers opnieuw te benaderen en hem expliciet te vragen naar de noodzaak van een medische urenbeperking. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat deze deskundige door de rechtbank is verzocht te beoordelen of hij kon instemmen met de functionele mogelijkheden van appellante, zoals vastgelegd in onder meer de FML van 11 januari 2006, waarin onder 6, Werktijden, was vermeld dat appellante een normaal aantal uren per dag en per week, te weten respectievelijk 8 en 40 uren kon werken. De deskundige heeft ten aanzien van deze specifieke belastbaarheidaspecten geen beperkingen gegeven. Daarmee staat naar het oordeel van de Raad genoegzaam vast dat de deskundige geen medische noodzaak zag voor een urenbeperking.

5.3. De Raad ziet voorts geen aanleiding om andere medische deskundigen in te schakelen. De Raad acht zich door de psychiater Vinkers afdoende geadviseerd inzake de medische beperkingen van appellante, met name waar het gaat om de inschatting van de lichamelijke of psychische beperkingen als gevolg van de door hem vastgestelde conversiestoornis. Appellante heeft voorts haar standpunt dat zij meer beperkt is dan de FML weergeeft niet met nadere medische gegevens onderbouwd, behoudens de hierna te bespreken eerdergenoemde brief van de huisarts van 11 mei 2010.

5.4. De Raad is overigens met de rechtbank van oordeel, dat het medisch en arbeidskundig onderzoek voldoende zorgvuldig en volledig zijn geweest. De Raad stelt vast dat de door de rechtbank ingeschakelde deskundige Vinkers, behoudens een kleine aanscherping van de FML, het medisch standpunt van het Uwv heeft onderschreven. Voorts heeft de bezwaararbeidsdeskundige voldoende gemotiveerd dat voornoemde aanscherping van de FML niet aan de geschiktheid van de functies in medisch opzicht in de weg staat. De door de rechtbank ingeschakelde deskundige Schouten heeft dit standpunt onderschreven.

5.5. Ten aanzien van de recent voor de zitting van de Raad overgelegde informatie van de huisarts, zoals hiervoor onder 3 weergegeven, is de Raad van oordeel, dat hieruit niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat dit op de datum in geding tot verdergaande beperkingen leidde. De Raad laat nog daar of in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies sprake is van intensief staan en zitten, zoals door de behandelend internist is ontraden.

5.6. Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt.

5.7. De vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van de betrokkene, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de rechten van de mens naar voren komt.

5.8. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009 (LJN BH1009) is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat op grond van de rechtspraak van het EHRM de behandeling van - onder meer - socialezekerheidszaken in dit verband bijzondere aandacht vereist. In de uitspraak van 26 januari 2009 heeft de Raad verder overwogen dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De in 5.7 vermelde criteria kunnen onder omstandigheden aanleiding geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten.

5.9. In dit geding is voorts van belang dat, zoals de Raad eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 24 maart 2009 (LJN BH9991), in een geval waarin een vernietiging van een besluit op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en - eventueel - een hernieuwde behandeling door de rechter, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan moet worden toegerekend. Indien echter in de loop van de hele procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat (het ministerie van Justitie).

5.10. Voor het onderhavige geding betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift van appellante van 22 mei 2002 tot de datum van deze uitspraak zijn acht jaar en ruim een maand verstreken. De Raad heeft vooralsnog noch in de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch in de opstelling van appellante aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De Raad stelt vast dat de eerste behandeling door de rechtbank vanaf de ontvangst van het eerste beroepschrift op 17 maart 2003 tot de uitspraak op 27 december 2004 één jaar en ruim negen maanden, derhalve meer dan anderhalf jaar heeft geduurd. De hernieuwde behandeling door de rechtbank is aangevangen met de ontvangst van het beroepschrift op 16 oktober 2006 en is geëindigd met de aangevallen uitspraak op 4 december 2009, waarmee de rechtbank ook in deze fase de behandelingsduur van anderhalf jaar heeft overschreden. De behandeling bij de Raad is aangevangen met de ontvangst van het hoger-beroepschrift op 19 januari 2010 en eindigt met deze uitspraak op 2 juli 2010. Deze heeft derhalve niet meer dan twee jaar in beslag genomen, terwijl de behandeling door rechtbank en Raad tezamen meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. Aan het voorgaande kan het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase is geschonden.

5.11. De Raad verbindt hieraan de gevolgtrekking dat in deze procedure, voor zover nodig met verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 van de Awb, moet worden beslist omtrent appellantes verzoek om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase. Dit geeft aanleiding om het onderzoek te heropenen. Met verdragsconforme toepassing van artikel 8:26 van de Awb merkt de Raad daarbij naast het Uwv de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) aan als partij in die procedure.

6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Bepaalt dat het onderzoek wordt heropend onder de nummers 10/3457 BESLU en 10/3458 BESLU ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent de gevraagde schadevergoeding in verband met de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, en merkt tevens de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) aan als partij in die procedure.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst- Hagen als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2010.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) R.L. Venneman.

RK