Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BN0202

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-07-2010
Datum publicatie
05-07-2010
Zaaknummer
09-5641 BESLU + 09-5643 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toewijzing schadevergoeding. Overschrijding redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5641 BESLU en 09/5643 BESLU

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het verzoek om schadevergoeding van:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

met als partijen:

betrokkene

en

de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) (hierna: Staat)

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 2 juli 2010

I. PROCESVERLOOP

Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 18 januari 2008, 05/3447, in het geding tussen betrokkene en het Uwv.

Bij uitspraak van 9 oktober 2009 (08/1548) heeft de Raad uitspraak gedaan op dit hoger beroep. Daarbij heeft de Raad bepaald dat het onderzoek onder de in de aanhef van deze uitspraak genoemde nummers wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van betrokkene om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), en heeft de Raad naast het Uwv de Staat aangemerkt als partij in die procedure.

Namens de Staat heeft mr. E.C. Gijselaar, advocaat te ’s-Gravenhage, in deze procedure een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Het Uwv heeft eveneens een reactie ingezonden. Namens betrokkene heeft mr. M. Vaessen, advocaat te Utrecht, daarop schriftelijk gereageerd.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna hij het onderzoek heeft gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. Namens de Staat is - kort weergegeven - erkend dat de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het EVRM, in de rechterlijke fase is overschreden en dat betrokkene in aanmerking komt voor een vergoeding van immateriële schade. Daarbij is aangegeven dat een vergoeding van € 1000,- redelijk kan worden geacht, welke vergoeding aan betrokkene zal worden betaald.

2. Namens het Uwv is erkend dat het Uwv verantwoordelijk is voor een overschrijding van de termijn van drie maanden. Het Uwv heeft zich bereid verklaard het daarmee samenhangende bedrag van € 500,- te betalen.

3. Betrokkene heeft, desgevraagd, hierop aangegeven zich met de door de Staat en het Uwv ingenomen standpunten te kunnen verenigen en zich te refereren aan het oordeel van de Raad.

4. Gelet op het voorgaande ziet de Raad aanleiding het Uwv te veroordelen tot vergoeding van immateriële schadevergoeding aan betrokkene ten bedrage van € 500,- en de Staat ten bedrage van € 1000,-.

5. De Raad ziet ten slotte aanleiding om het Uwv voor een bedrag van

€ 161,- en de Staat voor een bedrag van € 161,- te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in deze schadeprocedure.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Veroordeelt de Staat tot betaling aan betrokkene van een schadevergoeding ten bedrage van € 1000,-;

Veroordeelt het Uwv tot betaling aan betrokkene van een schadevergoeding ten bedrage van € 500,-;

Veroordeelt de Staat in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 161,-;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 161,-.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2010.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) R.L. Rijnen.

TM