Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM9955

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-06-2010
Datum publicatie
01-07-2010
Zaaknummer
08-3751 WWB + 10-1810 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat betrokkene heeft verzocht om bijzondere bijstand ter aflossing van een schuld. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat betrokkene als gevolg van een nabetaling door de Belastingdienst alsnog kon beschikken over een inkomen dat hoger was dan het voor hem geldende huursubsidieplafond. Bij het ontstaan van de schuld - en ook ten tijde in geding - beschikte betrokkene over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Gelet hierop is in dit geval - behoudens zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB - geen plaats voor verlening van bijzondere bijstand. Geen zeer dringende redenen. Vernietiging uitspraak. Vernietiging besluit.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 13
Wet werk en bijstand 35
Wet werk en bijstand 49
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2010/256
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3751 WWB

10/1810 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 29 mei 2008, 07/6578 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene),

en

appellant

Datum uitspraak: 29 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. W.G. Fischer, advocaat te Haarlem, een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 18 mei 2010. Partijen zijn niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene ontvangt sinds 5 april 2005 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Op 22 november 2006 heeft de Minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) de aan betrokkene over de periode van 1 juli 2005 tot 1 januari 2006 verleende huursubsidie teruggevorderd tot een bedrag van € 934,20 omdat betrokkene in verband met een - gehonoreerd verzoek om - belastingteruggave over 2004 alsnog kon beschikken over een inkomen hoger dan de geldende subsidiegrens.

1.3. Betrokkene heeft op 30 januari 2007 bijzondere bijstand aangevraagd voor de onder 1.2 vermelde kosten. Bij besluit van 17 april 2007 heeft appellant deze aanvraag afgewezen.

1.4. Bij besluit van 23 augustus 2007 heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 17 april 2007 ongegrond verklaard. Hieraan is, voor zover hier van belang, ten grondslag gelegd dat bijstandsverlening in een schuld dan wel met terugwerkende kracht - behoudens hier niet aan de orde zijnde uitzonderingen - is uitgesloten in de WWB.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen inzake proceskosten en griffierecht, het beroep tegen het besluit van 23 augustus 2007 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De rechtbank heeft daartoe - samengevat - overwogen dat geen bijstand is aangevraagd in een schuld omdat het betrokkene eerst op 22 november 2006 duidelijk is geworden dat hij huursubsidie moest terugbetalen, waarna hij binnen korte tijd bijzondere bijstand heeft aangevraagd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft betrokkene een aanvraag gedaan om bijzondere bijstand in woonlasten met terugwerkende kracht en is - omdat hem niet het verwijt kan worden gemaakt dat hij niet eerder een beroep heeft gedaan op het inmiddels vervallen Besluit vangnetregeling huursubsidie - sprake van een bijzondere omstandigheid die toewijzing van die aanvraag rechtvaardigt.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. Bij besluit van 22 augustus 2008 heeft appellant ter uitvoering van de aangevallen uitspraak een nieuw besluit op bezwaar genomen. Hierbij is aan betrokkene bijzondere bijstand verleend voor de onder 1.2 vermelde kosten. De Raad merkt dit besluit aan als een besluit dat op de voet van de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht mede in de beoordeling moet worden betrokken.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat betrokkene heeft verzocht om bijzondere bijstand ter aflossing van een schuld. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat betrokkene als gevolg van een nabetaling door de Belastingdienst alsnog kon beschikken over een inkomen dat hoger was dan het voor hem geldende huursubsidieplafond. Dit heeft ertoe geleid dat de Minister van VROM op 22 november 2006 een bedrag van € 934,20 aan te veel betaalde huursubsidie van betrokkene heeft teruggevorderd. Vervolgens heeft betrokkene zich tot appellant gewend en bijzondere bijstand aangevraagd in verband met deze kosten. Betrokkene heeft zijn aanvraag op 23 februari 2007 geduid als “Betaling schuld VROM”.

5.2. Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB heeft degene die bijstand vraagt ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast en die overigens bij het ontstaan van de schuldenlast, dan wel nadien, beschikte of beschikt over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, geen recht op bijstand.

5.3. Bij het ontstaan van de onder 5.1 vermelde schuld - en ook ten tijde in geding - beschikte betrokkene over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Gelet hierop is in dit geval - behoudens zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB - geen plaats voor verlening van bijzondere bijstand.

5.4. De Raad ziet geen zeer dringende redenen in de vorenbedoelde zin. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 2 november 2004, LJN AR5587, in een vergelijkbaar geding, oordeelt de Raad dat het ontbreken van verwijtbaarheid geen zeer dringende reden vormt, zodat de vraag of betrokkene met het ontstaan van de schuld rekening had kunnen en moeten houden hier buiten beschouwing kan blijven. Betrokkene had derhalve geen recht op bijzondere bijstand.

5.5. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van 23 augustus 2007 ongegrond verklaren. Met de vernietiging van de aangevallen uitspraak is tevens de grondslag aan het besluit van 22 augustus 2008 komen te ontvallen, zodat dit besluit moet worden vernietigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 23 augustus 2007 ongegrond;

Vernietigt het besluit van 22 augustus 2008.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en E.E.V. Lenos en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2010.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) R. Scheffer.

AV