Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM9938

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-06-2010
Datum publicatie
01-07-2010
Zaaknummer
08-6833 ANW + 09-6116 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Svb heeft terecht geweigerd om de echtgenoot van appellante postuum toe te laten tot de vrijwillige AOW/ANW- verzekering als geregeld in KB 720. Geen strijd met het discriminatieverbod dat is neergelegd in artikel 14 van het EVRM. Nu uit het voorgaande blijkt dat de Svb met recht heeft geconcludeerd dat de echtgenoot van appellante geen aanspraak kan maken op (postume) toelating tot de vrijwillige verzekering op basis van KB 720, moet de conclusie zijn dat de Svb appellante met recht niet als nabestaande in de zin van de ANW heeft aangemerkt en met recht heeft geweigerd aan appellante na het overlijden van haar echtgenoot een nabestaandenuitkering toe te kennen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6833 ANW + 09/6116 AOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], Marokko (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 oktober 2008, 08/720 (aangevallen uitspraak 1), en de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 september 2009, 08/4648 (aangevallen uitspraak 2), hierna tezamen ook te noemen: aangevallen uitspraken,

in de gedingen tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 30 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat te Amsterdam, in hoger beroep gekomen tegen de aangevallen uitspraken.

De Svb heeft in de zaak die is geregistreerd onder nummer 09/6116 AOW een verweerschrift ingediend.

De zaken zijn, gevoegd met een aantal soortgelijke gedingen, ter zitting behandeld op 19 mei 2010. Appellante is verschenen bij haar gemachtigde mr. De Roy van Zuydewijn. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg en mr. B.T.S.J. Maarschalkerweerd. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, geboren in 1954, woont in Marokko en bezit de Marokkaanse nationaliteit. In 1974 is appellante gehuwd met [K.], geboren in 1940. [K.] heeft in Nederland gewoond en gewerkt en is met behoud van een hem op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekende uitkering naar Marokko geremigreerd. Vanaf het moment dat hij, in 2005, de leeftijd van 65 jaar had bereikt is aan [K.] op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) een ouderdomspensioen toegekend. Tot 1 januari 2000 is [K.] verplicht verzekerd gebleven voor de Algemene nabestaandenwet (ANW), laatstelijk op grond van artikel 26 van het Besluit uitbreiding en beperking kring der verzekerden volksverzekeringen 1999 (Stb. 1998, 746, hierna: KB 746).

1.2. [K.] is op diens verzoek met ingang van 1 januari 2000 door de Svb toegelaten tot de vrijwillige verzekering voor de AOW/ANW. Bij besluit van 12 februari 2004 is vastgesteld dat deze vrijwillige verzekering per 30 maart 2002 is geëindigd wegens het niet tijdig betalen van verschuldigde premies. Het daartegen ingediende bezwaar is bij besluit van 26 maart 2004 ongegrond verklaard. Het besluit van 12 februari 2004 is in rechte onaantastbaar geworden door intrekking van het tegen het besluit van 26 maart 2004 ingestelde beroep.

1.3. Op 7 november 2005 is [K.] in Marokko overleden.

1.4. Vervolgens heeft appellante een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) aangevraagd. Op deze aanvraag is bij besluit van 3 oktober 2007 afwijzend beslist op de grond dat [K.] op de datum van zijn overlijden niet verzekerd was ingevolge de ANW. Appellantes bezwaar tegen het besluit van 3 oktober 2007 is bij besluit van 11 januari 2008 (hierna: besluit op bezwaar 1) door de Svb ongegrond verklaard.

1.5. Bij besluit van 12 december 2007 heeft de Svb het verzoek afgewezen om [K.] postuum toe te laten tot de vrijwillige verzekering voor de ANW op gelijke voorwaarden als toelating tot de vrijwillige verzekering op basis van het Besluit van 19 december 2005, houdende regels inzake een vrijwillige verzekering op grond van de Algemene Ouderdomswet en de Algemene nabestaandenwet voor in de Europese Unie wonende uitkeringsgerechtigden over een periode gelegen voor 1 januari 2006 (Stb 2005, 720, hierna: KB 720). Daartoe is overwogen dat [K.] ten tijde van belang niet woonde in een lidstaat van de Europese Unie (EU), de Europese Economische Ruimte (EER) of Zwitserland en derhalve niet voldeed aan de voorwaarden voor toelating tot de vrijwillige verzekering op grond van KB 720, terwijl van strijd met het gelijkheidsbeginsel geen sprake is. Appellantes bezwaar tegen het besluit van 12 december 2007 is bij besluit van 10 november 2008 (hierna: besluit op bezwaar 2) door de Svb ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen van appellante tegen besluit op bezwaar 1 en besluit op bezwaar 2 ongegrond verklaard.

3.1. In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellante expliciet aangegeven dat zij van de Raad in de onderhavige gedingen uitsluitend nog een oordeel verlangt over haar stelling dat de regeling die is neergelegd in KB 720 en in artikel 63e van de ANW een verboden onderscheid maakt tussen enerzijds onderdanen van de lidstaten van de de EU, EER en Zwitserland en anderzijds, in casu, onderdanen van het koninkrijk Marokko. Daarbij is namens appellante onder verwijzing naar de ontvankelijkheidsbeslissing in de zaak Luczak (EHRM 17 maart 2007, no. 77782/01) een beroep gedaan op artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in samenhang met artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij dat verdrag. Daarnaast is een beroep gedaan op artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM.

3.2. De Svb heeft primair betwist dat er sprake is van vergelijkbare gevallen. Verwezen is naar het arrest van de Grand Chamber van het EHRM in de zaak Carson (EHRM 16 maart 2010, no. 42184/05). Voor het geval dat de Raad zou oordelen dat er wel sprake is van vergelijkbare gevallen, is verwezen naar de uitspraken van de Raad waarin door de Raad over de namens appellante naar voren gebrachte gronden reeds is beslist, zoals de uitspraken van de Raad van 15 juni 2009, LJN BJ3847 en 9 december 2009, LJN BK8397.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. De Raad zal eerst ingaan op vraag of de bij besluit op bezwaar 2 gehandhaafde weigering door de Svb om de echtgenoot van appellante postuum toe te laten tot de vrijwillige verzekering als geregeld in KB 720, in strijd komt met het discriminatieverbod dat is neergelegd in artikel 14 van het EVRM. In dat verband stelt de Raad voorop dat de toelating tot de vrijwillige verzekering, gezien het verband met de mogelijke aanspraken op uitkering, valt binnen de 'scope' van 1 van het EP en het recht op eigendom dat deze bepaling waarborgt (zie EHRM 27 maart 2005 (Luczak)). Dat brengt mee dat appellante in beginsel een beroep toekomt op artikel 14 van het EVRM en het daarin neergelegde discriminatieverbod.

4.3. Een beroep op het verbod op discriminatie vereist, wil het beroep kunnen slagen, dat er sprake is van vergelijkbare gevallen. De Raad stelt in dat verband voorop dat door KB 720 een onderscheid wordt gemaakt naar woonplaats en niet, althans niet direct, naar nationaliteit. Door de Svb is betoogd dat bij het onderhavige onderscheid naar woonplaats er geen sprake is van vergelijkbare gevallen, zodat reeds op die grond het beroep op artikel 14 van het EVRM niet kan slagen. Daarbij is een beroep gedaan op het arrest van het EHRM in de zaak Carson. De Raad acht van belang dat het beroep op het verbod op discriminatie dat namens appellante is gedaan in de kern ziet op een door de Staat als regelgever gemaakt onderscheid naar woonplaats, welk onderscheid zijn grond vindt in de verdragsrechtelijke verplichtingen die door de Staat worden afgeleid uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJEG) van 7 juli 2005 in de zaak Van Pommeren (C-227/03). Uit de punten 87 en volgende van het arrest van het EHRM in de zaak Carson, waar het ook ging om een onderscheid naar woonplaats, leidt de Raad af dat in zo’n geval niet gesproken kan worden van vergelijkbare gevallen, zodat van een ongeoorloofde ongelijke behandeling in de zin van artikel 14 van het EVRM geen sprake kan zijn. Namens appellante is betoogd dat het arrest Van Pommeren, althans voor de periode in geding (2000 tot 2006) in het geheel niet dwingt tot een regeling als neergelegd in KB 720, zodat ook niet gezegd kan worden dat de Staat met deze regeling uitdrukking heeft gegeven aan zijn verdragsrechtelijke verplichtingen. Ter ondersteuning van dit betoog is door appellante verwezen naar het bepaalde in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad kan appellante in dit betoog niet volgen. Op de Staat als regelgever rust wel degelijk de verplichting zijn rechtstelsel in te richten conform zijn verdragsrechtelijke verplichtingen. De regeling in artikel 4:6 van de Awb, die betrekking heeft op besluiten van een bestuursorgaan op een herhaalde aanvraag, staat daar geheel buiten. Namens appellante is verder betoogd dat KB 720 verder gaat dan voortvloeit uit het arrest Van Pommeren en dat in zoverre in elk geval sprake is van een niet-gerechtvaardigde ongelijke behandeling. Appellante heeft in dat verband met name gewezen op de ruime regeling inzake de postume toelating tot de vrijwillige verzekering ex KB 720. Ook in dit betoog kan de Raad appellante niet volgen. Naar het oordeel van de Raad vindt de ruime toelating tot de postume verzekering wel degelijk haar grond in een, loyale, uitvoering door de Staat van het arrest Van Pommeren en dat geldt in hoofdzaak eveneens voor de andere aspecten van de regeling. Ook indien zou moeten worden geoordeeld dat KB 720 in een enkel opzicht verder gaat dan waartoe het arrest Van Pommeren noopt, kan, naar het oordeel van de Raad, bezien vanuit doel en strekking van de regeling als geheel, niet gezegd worden dat personen als appellante die geen beroep kunnen doen op de regeling, daardoor worden gediscrimineerd. De Raad concludeert dat het beroep op artikel 14 van het EVRM juncto artikel 1 van het Eerste Protocol niet slaagt. Nu artikel 1 van het Twaalfde Protocol inhoudelijk geen andere maatstaf aanlegt dan artikel 14 van het EVRM volgt daaruit dat ook het beroep op deze bepaling faalt.

4.4. De Raad merkt ten overvloede op dat ook indien geoordeeld zou moeten worden dat in casu er wél sprake is van vergelijkbare gevallen, het beroep op artikel 14 van het EVRM respectievelijk artikel 1 van het Twaalfde Protocol niet slaagt. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 15 juni 2009, LJN BJ3847. In deze zaak, waarin de gemachtigde van appellante ook is opgetreden, heeft de Raad uitvoerig gemotiveerd dat de besluitwetgever bevoegd was om, zonder schending van enige rechtsregel, betrokkene, die de Marokkaanse nationaliteit had, niet onder het bereik van KB 720 te laten vallen. De Raad is niet gebleken van feiten of omstandigheden om daar in de onderhavige, vergelijkbare zaak anders over te oordelen.

5. Het besluit op bezwaar 1 berust op de grond dat de echtgenoot van appellante noch op grond van de ANW noch op grond van de ter zake geldende internationale regelingen ten tijde van zijn overlijden verzekerd was voor de ANW. Die grond is door appellante niet (meer) bestreden, zodat ook de Raad hiervan uitgaat. Nu uit het voorgaande blijkt dat de Svb met recht heeft geconcludeerd dat de echtgenoot van appellante geen aanspraak kan maken op (postume) toelating tot de vrijwillige verzekering op basis van KB 720, moet de conclusie zijn dat de Svb appellante met recht niet als nabestaande in de zin van de ANW heeft aangemerkt en met recht heeft geweigerd aan appellante na het overlijden van haar echtgenoot een nabestaandenuitkering toe te kennen.

6. Gelet op het vorenstaande ziet de Raad geen aanknopingspunten om te komen tot een ander oordeel dan de rechtbank. De aangevallen uitspraken zullen daarom door de Raad worden bevestigd voor zover zij door appellante zijn aangevochten.

7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2010.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) W. Altenaar.

KR