Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM9919

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-06-2010
Datum publicatie
01-07-2010
Zaaknummer
08-3316 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nie-ontvankelijk verklaring hoger beroep. De Raad acht het onvoldoende aannemelijk dat appellant het hoger beroepschrift nog op 4 juni 2008 ter post heeft bezorgd en dat, uitgaande van de datum van afstempeling, moet worden geconcludeerd dat het hoger beroep buiten de termijn is ingesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3316 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 23 april 2008, 07/1786 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Bij schrijven van 25 juli 2008 heeft appellant een vraag van de Raad beantwoord.

Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 22 augustus 2008 is het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Appellant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld bij brief van 25 september 2008, welk verzet appellant bij brieven van 19 oktober en 9 november 2008 nader heeft toegelicht.

Naar aanleiding van zijn verzet is appellant gehoord ter zitting van de Raad van 25 november 2008. Het Uwv heeft zich, met voorafgaand bericht, daar niet laten vertegenwoordigen.

De Raad heeft het verzet bij uitspraak van 6 januari 2009 als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Awb gegrond verklaard omdat de Raad het aangewezen achtte dat de ontvankelijkheid van het hoger beroep beoordeeld zou worden door een meervoudige kamer van het college.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, waarop appellant bij schrijven van 12 juni 2009, met bijlagen heeft gereageerd.

Appellant heeft bij brief van 28 april 2010 een vraag aan de Raad gesteld waarop de Raad bij brief van 4 mei 2010 heeft geantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2010. Appellant was aanwezig. Namens het Uwv heeft mr. K. van Someren het woord gevoerd.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant heeft bij schrijven gedateerd 4 juni 2008 hoger beroep ingesteld. De enveloppe waarin het hoger beroepschrift zich bevond, draagt het poststempel van 5 juni 2008. Het hoger beroepschrift is op 6 juni 2008 bij de griffie van de Raad ingekomen.

2. Het hoger beroep van appellant richt zich tegen de in de aangevallen uitspraak vervatte ongegrondverklaring van zijn beroep tegen het besluit van het Uwv van 25 oktober 2007, waarin zijn bezwaar tegen het (primaire) besluit van 11 mei 2007 niet-ontvankelijk is verklaard. Daarbij heeft de rechtbank, verkort weergegeven, overwogen, dat de laatste dag waarop het bezwaarschrift binnen de termijn van 6 weken, kon worden ingediend 22 juni 2007 was. Ondanks de stelling van appellant dat hem uit informatie bij TNT was gebleken dat het heel goed mogelijk is dat bij ter post bezorging op (vrijdag) 22 juni het dagstempel eerst op (maandag) 25 juni wordt aangebracht, heeft het Uwv, gelet op het feit dat de enveloppe waarin het bezwaarschrift zich bevond, het datumstempel van 25 juni 2007 droeg, appellant met recht niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar. Daaraan heeft de rechtbank nog toegevoegd dat het risico verbonden aan het wachten tot de laatste dag van de termijn van bezwaar geheel voor rekening van appellant komt.

3. De aangevallen uitspraak is op 23 april 2008 in afschrift aan partijen verzonden, zodat de laatste dag van de beroepstermijn is te stellen op 4 juni 2008. Als hiervoor aangegeven draagt het poststempel op de enveloppe de datum 5 juni 2008.

4. Appellant heeft ( desgevraagd) medegedeeld, dat hij het hoger beroepschrift wel degelijk op 4 juni 2008 op de bus heeft gedaan en dat de afstempeling op 5 juni 2008 daar niet aan af doet, omdat hij proefondervindelijk, bij het verzenden van verschillende poststukken naar de Raad, heeft vastgesteld dat de desbetreffende enveloppen steeds zijn voorzien van een stempeldatum die – minstens- een dag ligt na die van de ter post bezorging. Met andere woorden het datumstempel van 5 juni 2008 is naar zijn mening een afdoende onderbouwing voor zijn stelling dat het desbetreffende poststuk op de dag ervoor ter post is bezorgd.

5. Hetgeen partijen verdeeld houdt is niet de vraag of het hoger beroepschrift binnen een week na afloop van de termijn is ontvangen, maar – mede blijkens het verweerschrift – de vraag of appellant gevolgd kan worden in zijn stelling dat hij het voor het einde van de termijn ter post heeft bezorgd.

6.1. De Raad oordeelt als volgt.

6.2. Ingevolge de artikelen 6:7, 6:8 en 6:9 van de Awb, in verbinding met artikel 6:24 van die wet, bedraagt de termijn voor het indienen van een ( hoger) beroepschrift zes weken. Deze termijn gaat in op de dag waarop de aangevallen uitspraak door middel van toezending van een afschrift daarvan aan partijen is bekendgemaakt. Ingevolge artikel 6:9, tweede lid van de Awb is bij verzending per post een beroepschrift tijdig ingediend, indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

6.3. Volgens vaste rechtspraak van de Raad komt bij beoordelingen als deze in de regel een belangrijke en veelal doorslaggevende betekenis toe aam de datum van het poststempel. Dat neemt niet weg dat indien op andere gronden in voldoende mate aannemelijk kan worden geacht dat verzending tijdig heeft plaatsgevonden, in weerwil van de datum van het poststempel, tijdige verzending kan worden aangenomen.

6.4. Appellant heeft echter op geen enkele wijze afdoende bewijs geleverd van zijn stelling omtrent de ter post bezorging op 4 juni 2008. Indien hij ervoor koos, gelijk hij heeft gedaan, om de verzending op de laatste dag van de termijn te laten plaatsvinden, dan had het op zijn weg gelegen om over te gaan tot verzending per fax of tot aangetekende verzending dan wel verzending met ontvangstbevestiging. Ook heeft hij niet via contact met of een verklaring van de TNT zijn stelling over het automatisme van stempeling (op de dag) na de dag van verzending onderbouwd.

6.5. De Raad merkt nog op dat het enkele feit dat ten aanzien van de meeste (of alle) poststukken die appellant naar de Raad heeft gezonden, geldt dat de datumstempels op de desbetreffende enveloppen een datum dragen van (minstens) de dag na de door appellant gestelde dag van ter post bezorging, geen sluitend bewijs oplevert. Het laat immers de mogelijkheid open dat het hoger beroepschrift in dit geding op 5 juni 2008 ter post is bezorgd en op dezelfde dag is gestempeld.

6.6. Het voorgaande betekent dat de Raad het onvoldoende aannemelijk acht dat appellant het hoger beroepschrift nog op 4 juni 2008 ter post heeft bezorgd en dat, uitgaande van de datum van afstempeling, moet worden geconcludeerd dat het hoger beroep buiten de termijn is ingesteld.

6.7. Hetgeen hiervoor is overwogen moet leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

7. Voor een veroordeling van een der partijen in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J. Riphagen en C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) A.L. de Gier.

KR