Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM9914

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-06-2010
Datum publicatie
01-07-2010
Zaaknummer
09-5711 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering terug te komen van eerder genomen rechtens onaantastbaar besluit. Geen nieuwe feiten of omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5711 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 17 september 2009, 08/7417 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.E. de Hoop, werkzaam bij DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V. te ’s-Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. N.J. Brouwer, collega van mr. De Hoop. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M.H.A.H. Smithuysen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De rechtsvoorganger van het Uwv heeft appellant per 11 november 1994 een uitkering wegens arbeidsongeschiktheid toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

1.2. Bij besluit van 24 november 2005 heeft het Uwv – beslissend op bezwaar – de inmiddels op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) voortgezette uitkering per 17 februari 2003 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

Dit besluit is na de tussen partijen gewezen uitspraak van de Raad van 15 december 2006, 04/1260 WAZ en 05/6996 WAZ in rechte onaantastbaar.

1.3. Bij besluit van 18 december 2007 heeft het Uwv geweigerd terug te komen van het besluit van 24 november 2005.

1.4. Bij besluit van 19 december 2007 heeft het Uwv appellant bericht dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid per 21 mei 2007 is toegenomen, maar dat deze toename niet leidt tot een herziening van de mate van zijn arbeidsongeschiktheid.

1.5. Bij besluit op bezwaar van 20 oktober 2008 heeft het Uwv – voor zover hier van belang – gehandhaafd zijn besluit van 18 december 2007 en herzien zijn besluit van 19 december 2007 in dier voege dat de WAZ-uitkering van appellant per 21 mei 2007 wordt herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 20 oktober 2008 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe kort samengevat overwogen dat het Uwv zich bij het besluit van 18 december 2007 terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant bij het verzoek om terug te komen van het besluit van 24 november 2005 geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld en dat het Uwv het verzoek van appellant heeft mogen afwijzen met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De rechtbank heeft voorts overwogen dat hetgeen appellant in beroep heeft aangevoerd geen aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat het Uwv ten onrechte de uitkering van appellant niet heeft herzien tegen een eerdere datum dan 21 mei 2007.

3.1. Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de rechtbank er in de aangevallen uitspraak ten onrechte aan voorbij is gegaan dat sprake is van nieuwe medische feiten die een ander licht werpen op de belastbaarheid van appellant.

Appellant heeft voorts aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien voor het oordeel dat de toename van zijn arbeidsongeschiktheid heeft plaatsgevonden per een eerdere datum dan 21 mei 2007 en dat deze laatste datum overigens een medische onderbouwing mist.

3.2. Het Uwv heeft zich in verweer achter het oordeel van de rechtbank geschaard en erop gewezen dat de datum 21 mei 2007 niet willekeurig is gekozen, doch dat aansluiting is gezocht bij de door appellant bij zijn op 31 mei 2007 gedaan verzoek om terug te komen van de beslissing van 24 november 2005 gevoegde brief van de reumatoloog

dr. S. ten Wolde, gedateerd 21 mei 2007. In deze brief heeft de reumatoloog melding gemaakt van het bestaan van artrose.

4.1. Het hoger beroep van appellant treft geen doel.

4.2. De door appellant in hoger beroep ingediende gronden vormen in essentie een herhaling van de in beroep ingediende gronden.

Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de gronden die in beroep zijn ingediend en in hoger beroep zijn herhaald afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig.

Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld als weergegeven onder 2.

4.3. Voor het standpunt dat de door de reumatoloog geconstateerde artrose reeds eerder dan 21 mei 2007 zodanige beperkingen opleverden dat dit had dienen te leiden tot een eerdere herziening van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant biedt het dossier geen aanknopingspunten.

Ook de rapportage van de door appellant ter onderbouwing van zijn standpunt ingeschakelde verzekeringsarts H.M.Th. Offermans biedt deze aanknopingspunten niet. Op de vraag van appellant of de toename van zijn arbeidsongeschiktheid ligt na 17 februari 2003 en voor 21 mei 2007 heeft Offermans – kort samengevat – geantwoord dat hij er rekening mee houdt dat in die periode een toename van de arbeidsongeschiktheid van appellant heeft plaatsgevonden. Offermans heeft dit standpunt niet nader onderbouwd. Hij heeft aangegeven dat naar zijn mening cruciaal is dat appellant reeds voor 17 februari 2003 op grond van een depressieve stoornis in aanmerkelijke mate meer beperkt was dan door de (bezwaar)verzekeringsartsen is aangenomen.

Offermans heeft voor dit standpunt echter geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden aangevoerd en gaat eraan voorbij dat, zoals reeds vermeld in 1.2, het besluit van 24 november 2005, waarin de medische situatie van appellant per 17 februari 2003 aan de orde was – na een uitspraak van de Raad – in rechte onaantastbaar is geworden.

4.4. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.

4.5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en J.P.M. Zeijen en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2010.

(get.) J. Brand.

(get.) M. Mostert.

JL