Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM9883

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-06-2010
Datum publicatie
01-07-2010
Zaaknummer
09-1851 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om een overlijdensuitkering ingevolge de AOW. De Svb heeft terecht bepaald dat appellant geen recht heeft op een overlijdensuitkering als bedoeld in artikel 18, eerste lid, onder a, van de AOW, omdat er gelet op de bloedverwantschap in de eerste graad met zijn moeder, geen sprake kan zijn van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding als bedoeld in artikel 1 van de AOW. Met betrekking tot het verzoek tot vergoeding van schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn overweegt de Raad dat, zoals hij heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009 (LJN BH1009), de redelijke termijn in een procedure als deze in beginsel niet is overschreden als de procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift van appellant op 15 november 2007 tot de datum van deze uitspraak zijn nog geen vier jaar verlopen. Van een overschrijding van de redelijke termijn is derhalve geen sprake. Het verzoek om schadevergoeding dient dan ook te worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1851 AOW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 4 maart 2009, 08/978 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 23 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 mei 2010. Appellant is in persoon verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A.J. Groenendaal.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft naar aanleiding van het overlijden van zijn moeder, met wie hij jarenlang heeft samengewoond, een overlijdensuitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) aangevraagd.

1.2. Bij besluit van 14 november 2007 heeft de Svb de aanvraag van appellant afgewezen.

1.3. Bij het bestreden besluit van 14 februari 2008 heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 14 november 2007 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de Svb overwogen dat appellant geen recht heeft op een overlijdensuitkering als bedoeld in artikel 18, eerste lid, onder a, van de AOW, omdat er gelet op de bloedverwantschap in de eerste graad met zijn moeder, geen sprake kan zijn van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding als bedoeld in artikel 1 van de AOW.

2. De rechtbank heeft het standpunt van de Svb onderschreven. Bij de aangevallen uitspraak, waarin appellant is aangeduid als eiser en de Svb als verweerder, heeft de rechtbank als volgt geoordeeld:

“ Nu tussen eiser en zijn moeder sprake is van een bloedverwantschap in de eerste graad, vloeit naar het oordeel van de rechtbank rechtstreeks uit de wet voort dat eiser niet kan worden gelijk gesteld met een echtgenoot in de zin van artikel 18, eerste lid, onderdeel a, van de AOW. Eiser behoort dus niet tot de in dit artikelonderdeel genoemde categorie van rechthebbenden. Uit de parlementaire wetsgeschiedenis van de AOW blijkt ook dat de vraag of de in artikel 1, derde lid, van de AOW neergelegde gelijkstelling van gehuwd met ongehuwd samenwonenden betrekking dient te hebben op een pensioengerechtigde die een gemeenschappelijke huishouding voert met een van zijn kinderen, uitdrukkelijk onder ogen gezien en ontkennend is beantwoord.

De stelling van eiser dat hij op basis van verweerders brieven van 1 november 2007 en 14 november 2007 het recht mag ontlenen dat hij in aanmerking komt voor een overlijdensuitkering, treft geen doel. Hoewel verweerder in zijn beslissing op een door eiser ingediende klacht expliciet heeft erkend dat de verstrekte informatie over het recht op overlijdensuitkering onvolledig is, betekent dit naar het oordeel van de rechtbank niet dat eiser in strijd met de wet een overlijdensuitkering moet worden toegekend.”

3.1. De Raad kan zich geheel vinden in dit oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Ten aanzien van het ter zitting naar voren gebrachte verzoek om schadevergoeding in verband met de behandelingsduur van de procedure voegt de Raad hier het volgende aan toe.

3.2. Met betrekking tot het verzoek tot vergoeding van schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn overweegt de Raad dat, zoals hij heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009 (LJN BH1009), de redelijke termijn in een procedure als deze in beginsel niet is overschreden als de procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen.

3.3. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift van appellant op 15 november 2007 tot de datum van deze uitspraak zijn nog geen vier jaar verlopen. Van een overschrijding van de redelijke termijn is derhalve geen sprake. Het verzoek om schadevergoeding dient dan ook te worden afgewezen.

3.4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2010.

(get.) H.J. de Mooij.

(get.) J.M. Tason Avila.

TM