Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM9854

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-06-2010
Datum publicatie
01-07-2010
Zaaknummer
09-419 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. De Raad overweegt ten aanzien van de aangevallen uitspraak dat het hoger beroep zich beperkt tot het onderschrijven door de rechtbank van de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. De Raad kan zich geheel vinden in dit oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met appellantes stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellante vastgestelde medische beperkingen is de Raad, met de rechtbank, voorts van oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden aspecten, als voor appellante in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/419 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 12 december 2008, 07/4705 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld en zijn nadere stukken in het geding gebracht.

Het Uwv heeft een verweerschrift -met bijlage- ingediend en nadere stukken in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2010. Appellante is verschenen bij gemachtigde mr. R.A. Oliemans, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.J.J.M. van Eijk.

II. OVERWEGINGEN

1. Het Uwv heeft bij besluit van 1 juni 2007 appellantes uitkering, welke eerder in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% was toegekend, met ingang van 2 augustus 2007 ingetrokken omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid per die datum minder is dan 15%.

2. Het tegen dit besluit ingestelde bezwaar is bij besluit van 11 oktober 2007 (hierna: het bestreden besluit) gegrond verklaard. De mate van appellantes arbeidsongeschiktheid is met ingang van 2 augustus 2007 vastgesteld op 15 tot 25%. De door appellante gemaakte kosten in verband met de behandeling van het bezwaar zijn door het Uwv vergoed en tot slot heeft het Uwv bij het bestreden besluit appellante meegedeeld dat, met betrekking tot het verzoek om vergoeding van wettelijke rente, nog een nadere beslissing door de primaire afdeling volgt.

3.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd voor zover daarin niet is beslist over het in bezwaar gedane verzoek om schadevergoeding en het Uwv opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Tevens heeft de rechtbank het verzoek om veroordeling tot betaling van schadevergoeding voor het overige afgewezen en beslissingen gegeven over de vergoeding van het griffierecht en de proceskosten.

3.2. Naar het oordeel van de rechtbank berust het bestreden besluit, voor zover het betrekking heeft op de herziening per 2 augustus 2007 van de WAO-uitkering van 80 tot 100% naar 15 tot 25% op een voldoende zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek. De rechtbank heeft in hetgeen appellante in beroep heeft gesteld geen aanknopingspunten gevonden voor de juistheid van de stelling van appellante dat zij ten gevolge van haar lichamelijke en psychische klachten zwaarder beperkt is dan is vastgesteld door het Uwv in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 30 juli 2007. De rechtbank heeft hiertoe onder meer overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv kennis heeft genomen van de door appellante in het kader van de herbeoordeling in bezwaar overgelegde medische informatie, waaronder de brief van systeem- en gedragstherapeut J. Beelprez van 31 juli 2007 en de brief van fysiotherapeut

W.F. Plouvier van 15 augustus 2007, en dat de bezwaarverzekeringsarts gemotiveerd heeft aangegeven dat deze gegevens geen nieuw licht werpen op de gezondheidssituatie van appellante op de datum in geding. De rechtbank is voorts van oordeel dat de artsen van het Uwv geen nader informatie bij de behandelaars behoefden in te winnen nu deze artsen beschikten over een volledig beeld van de gezondheidstoestand van appellante op de datum in geding en de bevindingen van de verschillende artsen met elkaar overeenkomen. Tot slot heeft de rechtbank als haar oordeel uitgesproken dat de arbeidskundigen bij de beoordeling van de passendheid van de functies alle signaleringen hebben toegelicht en dat de rechtbank gelet op deze toelichting voldoende overtuigd is dat appellante voor deze functies geschikt is.

3.3. Appellante heeft in hoger beroep de juistheid van de aangevallen uitspraak betwist. Appellante heeft daartoe -nogmaals- gesteld dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest, dat haar lichamelijke en psychische beperkingen zijn onderschat en dat door het Uwv onvoldoende is gemotiveerd waarom appellante in 2004, met in ieder geval gelijk gebleven klachten, volledig arbeidsongeschikt werd geacht (GDBM) en in 2007 bijna volledig arbeidsgeschikt.

4.1. De Raad overweegt ten aanzien van de aangevallen uitspraak dat het hoger beroep zich beperkt tot het onderschrijven door de rechtbank van de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. De Raad kan zich geheel vinden in dit oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met appellantes stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank.

4.2. Aan de door appellante in hoger beroep overgelegde brief van systeem- en gedragtherapeut Beelprez van 7 mei 2010 kan de Raad niet die waarde toekennen die appellante daaraan toegekend zou willen zien. In deze brief staan, mede gelet op de brief van Beelprez van 31 juli 2007 die door de bezwaarverzekeringsarts bij zijn onderzoek is betrokken, geen nieuwe medische gegevens waaruit blijkt dat appellante op de datum in geding meer of anders beperkt was dan door de artsen van het Uwv aangenomen.

4.3. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellante vastgestelde medische beperkingen is de Raad, met de rechtbank, voorts van oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden aspecten, als voor appellante in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt. Gelet op het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige W.L.Wijngaards van 3 oktober 2007, in combinatie met het door deze arbeidsdeskundige in hoger beroep overgelegde rapport en het eveneens in hoger beroep overgelegde rapport van de bezwaarverzekeringsarts P. van Muijen van 26 oktober 2009 acht de Raad de ten aanzien van die functies voorkomende signaleringen voldoende toegelicht.

4.4. Ter zitting is namens appellante aangevoerd dat haar belastbaarheid in de functies inpakker en productiemedewerker industrie, ten aanzien van het aspect 1.9.6., wordt overschreden. In deze functies waarbij aan het einde van de productielijn wordt gewerkt is, zo stelt appellante, sprake van een werksituatie waarin storingen en onderbrekingen veelvuldig voorkomen. Nu uit de Notities Functiebelasting van 21 augustus 2007 blijkt dat de arbeidsdeskundige, tot wiens deskundigheid het beoordelen van deze aspecten behoort, heeft geconcludeerd dat in deze functies storingen en onderbrekingen niet meer dan incidenteel voorkomen treft deze beroepsgrond geen doel.

4.5. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, C.P.M. van de Kerkhof en J. Riphagen, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) A.L. de Gier.

TM