Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM9845

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-06-2010
Datum publicatie
01-07-2010
Zaaknummer
09-6121 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de medische grondslag van het bestreden besluit kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde medische bevindingen. De verzekeringsarts heeft een voldoende zorgvuldig onderzoek ingesteld en rekening gehouden met informatie van de behandelend artsen van appellante. De bezwaarverzekeringsarts heeft haar visie afdoende gemotiveerd en met name voldoende onderbouwd waarom zij geen reden zag om de eerdere urenbeperking te handhaven – terzake zij eveneens verwezen naar de rechtsoverweging 2.5 van de aangevallen uitspraak. Daartegenover weegt de in algemene bewoordingen gestelde informatie van de huisarts en de psychotherapeut Snel onvoldoende zwaar. De arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit acht de Raad eveneens voldoende deugdelijk. Door de arbeidsdeskundige J. Oosterveld en bezwaararbeidsdeskundige Gulmans zijn de signaleringen ten aanzien van een mogelijke overschrijding van de belastbaarheid adequaat toegelicht. De stelling van de gemachtigde van appellante dat de bij de schatting gehanteerde functies (deels) overeenkomen met de bij de schatting uit 2006/2007 verworpen functies, vindt geen grondslag in de gedingstukken: daaruit blijkt dat het grotendeels om andere functies of functiecodes gaat - de Raad verwijst naar de in rechtsoverweging 2.9 op dit punt door de rechtbank gegeven uitleg -. Ook het aantal arbeidsplaatsen voldoet aan hetgeen het van toepassing zijnde SB voorschrijft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6121 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 1 oktober 2009, 08/7014 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.J.E.J. Coenraad, advocaat te Zandvoort, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, vergezeld van een rapport van P. van Zalinge, bezwaarverzekeringsarts.

Het Uwv heeft het verweerschrift aangevuld bij brief van 3 maart 2010.

Bij fax van 9 mei 2010 heeft de gemachtigde van appellante nog enkele stukken in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2010. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Coenraad. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door S.J.M.A. Clerx.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, geboren op [in] 1957, is laatstelijk werkzaam geweest als secretaresse bij [naam werkgever] voor gemiddeld 35 uur per week. In 1991 heeft zij zich ziek gemeld wegens met name psychische klachten. Per 3 januari 1992, na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken, is haar een uitkering toegekend op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. De uitkering is per 1 maart 2002 verlaagd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%, waarbij een zogenoemde urenbeperking in acht is genomen van 20 uur per week.

1.2. In 2006 heeft een herbeoordeling plaatsgevonden op grond van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (SB), zoals dit per 1 oktober 2004 in werking is getreden. In het kader van die herbeoordeling is een onderzoek verricht door verzekeringsarts

O. Camilidag, die onder meer heeft geconstateerd dat appellante al jaren niet meer onder behandeling was en geen medicatie meer gebruikte. Op grond van diens onderzoek en het daarop verrichte arbeidskundig onderzoek door arbeidsdeskundige R. Kuster is vervolgens de uitkering van appellante bij besluit van 27 november 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35% per 28 januari 2007. Bij besluit op bezwaar van 19 december 2007 heeft het Uwv het daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de herziening van de uitkering per 28 januari 2007 ongedaan gemaakt. Daaraan lag ten grondslag dat er geen medische redenen zijn tot het aannemen van verdergaande beperkingen, maar dat enkele van de geselecteerde functies minder geschikt zijn voor appellante onder andere in verband met nachtdiensten.

1.3. In september 2007 is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante ter uitvoering van artikel 34, vijfde lid, van de WAO, herbeoordeeld op grond van het SB, zoals dit vóór 1 oktober 2004 luidde. Op basis van de bevindingen en conclusies van een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van

19 december 2007 de WAO-uitkering ingaande 20 februari 2008 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Er is hierbij vanuit gegaan dat appellante de functies, behorend bij de Sbc-codes van elektromonteur (sterkstroom), inpakker, productiemedewerker textiel en elektronica monteur kan vervullen.

1.4. Appellante heeft tegen laatstgenoemd besluit bezwaar gemaakt. Naar aanleiding daarvan heeft bezwaarverzekeringsarts mw. P. van Zalinge het dossier bestudeerd, de hoorzitting bezocht en de nader door appellante toegezonden verklaring van haar huisarts van 24 januari 2008 in aanmerking genomen. Haar conclusie luidt dat de functionele belastbaarheid van appellante per 20 februari 2008 correct is vastgesteld. Daarna heeft bezwaararbeidsdeskundige B. Gulmans dossieronderzoek verricht, waarbij hij tot de conclusie is gekomen dat de mate van arbeidsongeschiktheid terecht is vastgesteld op 35 tot 45%. Het Uwv heeft daarop bij besluit van 25 september 2008 het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Appellante heeft tegen het besluit van 25 september 2008 (hierna: het bestreden besluit) beroep ingesteld. De rechtbank heeft zich met zowel de medische als de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit kunnen verenigen en heeft het door appellant daartegen ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep stelt appellante dat de mate van arbeidsongeschiktheid bij verschillende gelegenheden op een andere wijze is beoordeeld en dat dit tot een ander resultaat heeft geleid zonder dat haar duidelijk is op grond van welke criteria dat is gebeurd. Meer inhoudelijk richt haar hoger beroep zich tegen het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit. Zij meent dat voorbij is gegaan aan het oordeel van haar huisarts en behandelend psychotherapeut M. Snel - bij wie zij per december 2006 weer onder behandeling is - die verklaard hebben dat zij nog steeds zeer labiel is en in zeer beperkte mate in staat is om aan het arbeidsproces deel te nemen. Appellante acht zich dan ook, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet in staat de door het Uwv in aanmerking genomen functies uit te oefenen gedurende ongeveer 35 uur per week.

4.1. De Raad oordeelt als volgt.

4.2. De Raad merkt allereerst op met betrekking tot de opmerking van appellante over de verschillende beoordelingen en de door haar ervaren tegenstrijdigheid tussen de onder 1.2 respectievelijk 1.3 genoemde besluiten van 19 december 2007, dat eerstbedoeld besluit de toepassing betreft van het SB zoals dat in werking was getreden op 1 oktober 2004, en het tweede het SB betreft zoals dat tot 1 oktober 2004 luidde, zodat van deels verschillende criteria sprake is. Eerstbedoeld besluit houdt bovendien een gegrondverklaring - op puur arbeidskundige gronden - in van het destijds gemaakte bezwaar, hetgeen bijgevolg tot een voortzetting van haar WAO-uitkering naar het voorheen reeds geldende percentage ( 65- 80%) moest leiden. Daaraan ligt - wellicht anders dan appellante veronderstelt - geen (zelfstandig) medisch oordeel ten grondslag. Het onder 1.2 bedoelde besluit sluit geenszins een nieuwe beoordeling naar het voor appellante geldende SB uit. Dat die beoordeling vervolgens heeft geleid tot het doen vervallen van de eerder, in 2002, aangenomen urenbeperking stoelt onder meer op gewijzigde (medische) inzichten betreffende het verrichten van arbeid door personen met psychische klachten. Daarbij speelt mede een rol dat het aannemen van een aantal beperkingen in de rubrieken 1 en 2 van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), zoals ook ten aanzien van appellante is geschied, in beginsel moet leiden tot het selecteren van functies met weinig psychische en energetische belasting. Terzake zij ook verwezen naar de door de rechtbank in rechtsoverweging 2.5 gegeven uitleg over het vervallen van de urenbeperking.

4.3. De Raad is vervolgens met de rechtbank van oordeel dat de medische grondslag van het bestreden besluit kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde medische bevindingen. De verzekeringsarts heeft een voldoende zorgvuldig onderzoek ingesteld en rekening gehouden met informatie van de behandelend artsen van appellante. De bezwaarverzekeringsarts heeft haar visie afdoende gemotiveerd en met name voldoende onderbouwd waarom zij geen reden zag om de eerdere urenbeperking te handhaven – terzake zij eveneens verwezen naar de rechtsoverweging 2.5 van de aangevallen uitspraak. Daartegenover weegt de in algemene bewoordingen gestelde informatie van de huisarts en de psychotherapeut Snel onvoldoende zwaar.

4.4. De arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit acht de Raad eveneens voldoende deugdelijk. Door de arbeidsdeskundige J. Oosterveld en bezwaararbeidsdeskundige Gulmans zijn de signaleringen ten aanzien van een mogelijke overschrijding van de belastbaarheid adequaat toegelicht. De stelling van de gemachtigde van appellante dat de bij de schatting gehanteerde functies (deels) overeenkomen met de bij de schatting uit 2006/2007 verworpen functies, vindt geen grondslag in de gedingstukken: daaruit blijkt dat het grotendeels om andere functies of functiecodes gaat - de Raad verwijst naar de in rechtsoverweging 2.9 op dit punt door de rechtbank gegeven uitleg -. Ook het aantal arbeidsplaatsen voldoet aan hetgeen het van toepassing zijnde SB voorschrijft.

4.5. Het voorgaande leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J. Riphagen en

C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) A.L. de Gier.

KR