Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM9844

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-06-2010
Datum publicatie
01-07-2010
Zaaknummer
08-2941 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag buiten behandeling gelaten. Het betoog van appellante dat zij niet binnen de vergunde termijn over de gevraagde stukken kon beschikken dient te falen, omdat appellante dit niet aannemelijk heeft gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2941 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 7 april 2008, 07/1667 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: College)

Datum uitspraak: 29 juni 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.J.M. de Leest, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 mei 2010. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. De Leest. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. van Beveren, werkzaam bij de gemeente Utrecht.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Op 10 november 2006 heeft appellante samen met [S.] een aanvraag gedaan om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand naar de norm voor gehuwden. Appellante voert beschermingsbewind over [S.], die haar oom is.

1.2. Bij brief van 21 november 2006 heeft het College appellante om aanvullende gegevens gevraagd. Dit betrof onder meer stukken betreffende de huurovereenkomst en huurtoeslag, stukken omtrent de echtscheiding van appellante en de echtgenote van [S.], kopieën van giro- en bankafschriften van appellante en [S.], bewijsstukken van medische en psychische klachten van appellante en [S.], een verklaring omtrent een storting op eigen rekening van appellante en een kopie van een beschikking voorlopige teruggave over 2006. Bij deze brief is appellante een termijn gesteld tot 1 december 2006 om deze stukken in te leveren. Daarbij is meegedeeld dat indien de stukken niet (volledig) of te laat worden verstrekt, de aanvraag niet verder wordt behandeld. Appellante heeft een aantal van deze gegevens ingeleverd.

1.3. Bij brief van 8 december 2006 heeft het College appellante opnieuw om een aantal stukken verzocht. Het betrof een herhaald verzoek ten aanzien van gegevens omtrent de verblijfplaats, het inkomen en vermogen van de echtgenote van [S.] en de storting op eigen rekening. Voorts heeft het College stukken gevraagd omtrent uit zijn nader onderzoek gebleken feiten. Het betrof kopieën van een bankrekening van [S.] die niet door appellante op het aanvraagformulier was vermeld en kopieën van beschikkingen voorlopige teruggave en voorlopige aanslag 2006 van de Belastingdienst. Bij deze brief is appellante een termijn gesteld tot 18 december 2006 om de stukken over te leggen. Daarbij is opnieuw meegedeeld dat als de stukken niet (volledig) of te laat worden verstrekt, de aanvraag niet verder behandeld wordt.

1.4. Bij brief van 14 december 2006 heeft appellante drie weken uitstel gevraagd voor het leveren van een aantal stukken. Zij heeft daarbij aangegeven dat zij binnen anderhalve week van de Belastingdienst de gevraagde beschikking kan krijgen en dat het ongeveer drie weken duurt voordat zij de beschikking heeft over afschriften van de bedoelde bankrekening door middel van internetbankieren.

1.5. Bij brief van 18 december 2006 heeft het College appellante tot 4 januari 2007 in de gelegenheid gesteld om nadere stukken in te leveren. Het betrof de eerder gevraagde informatie omtrent de echtgenote van [S.], de bedoelde bankafschriften en de beschikking voorlopige teruggave 2006. Voorts heeft het College gevraagd om afschriften van een bepaalde girorekening of het bewijs dat deze rekening niet actief is, omdat uit zijn nadere onderzoek was gebleken dat de creditkaart van appellante een nummer had dat normaal gesproken bij de betreffende bank aan een betaalrekening met eenzelfde nummer gekoppeld is. Ten slotte is nog gevraagd om een loonstrook over de periode 13 tot en met 26 november 2006 van appellante. Ook in deze brief is meegedeeld dat indien de gegevens niet (volledig) of niet tijdig verstrekt worden, de aanvraag niet verder behandeld wordt.

1.6. Appellante heeft telefonisch meegedeeld meer tijd nodig te hebben over het overleggen van deze stukken. Bij brief van 10 januari 2007 heeft het College appellante tot 24 januari 2007 in de gelegenheid gesteld de in 1.5 genoemde stukken - met uitzondering van die betreffende girorekening - over te leggen. In deze brief is meegedeeld dat indien de gevraagde gegevens niet of niet volledig voor 24 januari 2007 zijn verstrekt, de aanvraag niet in behandeling wordt genomen.

1.7. Bij faxbrief van 31 januari 2007 heeft mr. De Leest als gemachtigde van appellante aan het College bericht dat hij heeft begrepen dat het College voornemens is de aanvraag af te wijzen omdat de gevraagde gegevens nog niet zijn overgelegd. Mr. De Leest heeft het College meegedeeld dat en waarom een aantal van de gevraagde gegevens nog niet konden worden overgelegd en dat dit appellante niet kan worden verweten. Hij heeft gevraagd of met andere of minder gegevens kon worden volstaan. Op diezelfde dag heeft de klantmanager van appellante per fax aan mr. De Leest meegedeeld dat appellante telefonisch meegedeeld is dat de aanvraag is afgewezen en dat een beschikking volgt.

1.8. Bij besluit van 6 februari 2007 heeft het College de aanvraag van appellante buiten behandeling gesteld met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op de grond dat niet binnen de gestelde termijn de in 1.6 genoemde gegevens zijn verstrekt.

1.9. In bezwaar heeft appellante de ontbrekende bankafschriften overgelegd. Daaruit blijkt dat op de rekening van [S.] in 2006 aanzienlijke bedragen in contanten zijn gestort en opgenomen en dat [S.] in 2006 als voorlopige teruggave van de Belastingdienst € 916,-- per maand ontving.

1.10. Bij besluit van 10 mei 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 6 februari 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 10 mei 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij heeft herhaald dat zij voor het einde van de gestelde termijn telefonisch verzocht heeft om uitstel. Daartoe heeft zij gespreksgegevens van haar telefoon overgelegd. Het College betwist dat appellante vóór afloop van de termijn om uitstel heeft verzocht en stelt dat dit eerst op

24 januari 2007 is gebeurd en dat er geen verlenging is verleend.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ter zitting is gebleken dat partijen na de heropening van het onderzoek door de rechtbank toestemming hebben gegeven voor afdoening van het beroep zonder nadere zitting.

4.2. Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Tussen partijen is niet in geschil dat de onder 1.6 genoemde gegevens voor de beslissing op de aanvraag om bijstand nodig zijn.

4.3. Uit de door appellante overgelegde en door het College niet bestreden telefoongegevens volgt dat zij op 23 januari 2007 om 9:23 uur gedurende 3:27 minuten telefonisch contact heeft gehad met een algemeen nummer van de afdeling Sociale Zaken van de gemeente Utrecht. Op 24 januari 2007 heeft zij om 9:11 gedurende 1:18 minuut telefonisch contact gehad met het kantoor van mr. De Leest. Om 9:14 heeft appellante gedurende 3:34 minuten telefonisch contact gehad met het doorkiesnummer van haar klantmanager. Vaststaat dat het College eerder een telefonisch verzoek van appellante om uitstel in behandeling heeft genomen en dat registratie van (de inhoud van) gesprekken door het College niet plaatsvindt. Het College heeft erkend dat appellante op of omstreeks 24 januari 2007 contact heeft gehad met haar klantmanager. Deze laatste kan de inhoud van de gesprekken en de data ervan niet reproduceren. Omdat het hier ging om een aanvraagsituatie en geen andere reden voor contact van appellante met de afdeling Sociale Zaken van de gemeente Utrecht voor de hand ligt, zal de Raad uitgaan van de juistheid van de stelling van appellante dat zij op 23 januari 2007 via het algemene telefoonnummer contact heeft gezocht en verkregen met haar klantmanager, om nader uitstel heeft verzocht, hetgeen toen geweigerd is.

4.4. Bij die stand van zaken dient de Raad eerst te beoordelen of het College het nadere uitstel in redelijkheid kon weigeren. Daarbij staat vast dat tussen het eerste verzoek om nadere gegevens (8 december 2006) en het verstrijken van de laatste termijn 46 dagen gelegen zijn. Het laatste uitstelverzoek is niet, zoals eerder door appellante wel was gedaan, schriftelijk gedaan met opgave van redenen en met een termijn waarop de gevraagde gegevens zouden worden aangeleverd, maar mondeling in een kortdurend gesprek. Gelet op het herhaaldelijk gevraagde en verkregen uitstel, de reeds verstreken tijd en het tijdstip en de aard van het verzoek mocht het College dit verzoek afwijzen. Daarbij komt betekenis toe aan het gegeven dat bij de aanvraag een bankrekening van [S.] niet is vermeld en dat het College pas na ontdekking daarvan appellante om overlegging van gegevens kon vragen.

4.5. Het betoog van appellante dat zij niet binnen de vergunde termijn over de gevraagde stukken kon beschikken dient te falen, omdat appellante dit niet aannemelijk heeft gemaakt. De stelling dat appellante voor het verstrijken van die termijn niet kon beschikken over vervangende afschriften van de niet gemelde bankrekening van [S.] of over toegang via internet tot die rekening vanwege de hoge debetstand, is niet ondersteund met een verklaring van de bank, en is onaannemelijk geworden in het licht van de mededeling van appellante op 14 december 2006 dat zij binnen drie weken over die toegang zou kunnen beschikken en door overlegging van een uitdraai via internet, gedateerd 4 februari 2007 met een debetstand van € 56,01. Dat de Belastingdienst en de werkgever van appellante niet bereid of in staat waren binnen de genoemde periode (vervangende) documenten te produceren heeft appellante op geen enkele manier onderbouwd. De mededeling van de Belastingdienst dat zij bezoeken van belastingplichtigen niet registreert, maakt dit niet anders, omdat niet van belang is of appellante de Belastingdienst heeft bezocht, maar of zij tijdig heeft verzocht om (vervangende) documenten. Daarbij is voorts van belang dat appellante op 14 december 2006 aan het College berichtte dat zij binnen anderhalve week over de gevraagde documenten van de Belastingdienst kon beschikken.

4.6. Op grond van het vorenstaande komt de Raad met de rechtbank tot de conclusie dat het College bevoegd was de aanvraag van appellante buiten behandeling te laten. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond om te oordelen dat het College niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.7. Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en B.W.N. de Waard als leden in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2010.

(get.) C. van Viegen.

(get.) J.M. Tason Avila.

AV